Thorri en het Thorrablot

Bron: http://www.inreykjavik.is/thorrablot-opferfeier-fur-die-gotter/

Wie uit bovenstaande titel meent op te kunnen maken, dat de hiernavolgende bijdrage over de Noordse god Thor (Oudnoors: Þórr) gaat, maakt een vergissing.

De naam Thorri heeft betrekking op een andere figuur uit de Noordse mythologie. Maar wie deze Thorri (Oudnoors: Þorri) nu eigenlijk was, is niet met eenduidige zekerheid vast te stellen, de oude bronnen geven daarover jammer genoeg geen eensluidende inlichtingen.

Volgens de Orkneyinga’s Saga die uit de 13e eeuw stamt, was Thorri de koning van een vroeg koninkrijk in Noorwegen. Maar vanuit historisch oogpunt bestaan daarvoor geen bewijzen of duidelijke aanwijzingen, het valt daarom niet onder geschiedenis, maar onder mythologie. Zoals bijvoorbeeld ook het geval is met de legendarische Deense koning Rolf Krake (Oudnoors: Hrólfr Kraki).

De oude bronnenboeken geven aan, dat Thorri afstamt van Fornjot (Oudnoors: Fornjótr) en die naam komt op verschillende plaatsen voor in de Scandinavische mythologie.

In de Thulur (Nafnaþulur), het laatste deel van de Skáldskaparmál, één van de twee hoofddelen van de Proza-Edda die in de 13e eeuw door de IJslandse geleerde Snorri Sturluson werd geschreven, komt Fornjot voor als de naam van een mythologische reus (Oudnoors: Jötunn). Door meerdere geleerden wordt tegenwoordig geopperd, dat hij wel eens de stamvader van een geslacht van vorstreuzen zou kunnen zijn.

De Flateyjarbók, een verzameling van handschriften uit vroeg-IJslandse tijd, bevat ook een document, dat vertelt over de kolonisatie van Noorwegen; de naam van dat document is Hversu Nóregr byggðisk: vertaald: Hoe de mensen zich in Noorwegen vestigden.

Daarin wordt meer informatie gegeven over Thorri en zijn voorvader Fornjot. De al genoemde Orkneyinga’s Saga geeft zo ongeveer dezelfde tekst en ook Rasmus B. Anderson schrijft over Thorri en zijn bloedverwanten in zijn Engelse vertaling van de Proza-Edda. Als eerste een (vertaald) citaat van de laatstgenoemde:

Er was een man die Fornjot heette. Hij had drie zonen; één ervan heette Hlér (Ægir?) de naam van de tweede was Logi en de derde heette Kári en deze was de heer der winden. Logi was heerser over het vuur en Hlér over de zee. Kári had veel nakomelingen. Één van zijn zoons heette Jökul (ijsberg) een andere heette Froste (vorst) en diens zoon was koning Snae (sneeuw). Een derde zoon van Kári heette Thorri (strenge vorst) en naar hem werd de wintermaand vernoemd: Thorramaand. Kári’s dochters heetten Fonn (vastgelopen sneeuw), Drifa (sneeuwverwaaiing) en Mjöll (stuifsneeuw). Al deze namen hebben te maken met de naam van de vader, Kári, dat ‘wind’ betekent.

Thorri had twee zoons die Nor en Gar heetten en de naam van zijn dochter was Goe. Het verhaal gaat, dat Goe eens was verdwenen en haar broers naar haar zochten. Tenslotte ontdekten ze wie haar had ontvoerd. Dat was Hrolf van de Berg, die een zoon was van de reus Svadi en een kleinzoon van Asa-Thor. Ze legden hun strijd bij en daarop trouwde Hrolf met zijn Goe. Nor trouwde met de zuster van Hrolf en ze vestigden zich in een land, dat hij naar zichzelf noemde; Norvegr, Noorwegen.

Vertaald uit Rasmus B. Anderson

In deze beschrijving wordt Thorri dus gezien als een zoon van Kári.

De “Historia Norwegiae” (Een geschiedenis van Noorwegen), die werd geschreven tussen 1152 en 1266, bevestigt bovenstaande verklaring voor het ontstaan van de naam Noorwegen:

En Noorwegen kreeg zijn naam van een bepaalde koning die Norr heette.

In een tweede zienswijze wordt Thorri niet als een zoon van Kári gezien, maar als een zoon van koning Snae:

Er was een man en zijn naam was Fornjót. Hij had drie zoons. Eén werd Hlér (Ægir) genoemd, de tweede heette Logi en de derde Kári. De laatstgenoemde heerste over de winden, Logi over het vuur en Hlér was de heer der zeeën. Kári was de vader van Jökul (gletscher of ijsberg) en die op zijn beurt was de vader van koning Snae (sneeuw). De zoons van koning Snae heetten Thorri, Fönn, Drífa en Mjöll. Thorri was een voortreffelijke koning. Hij heerste over Gotland, Kaenland en Finland. Op feestelijke wijze zorgde hij ervoor dat er genoeg sneeuw lag en de bewoners van Kaenland het best per ski konden reizen. Wanneer dat zover was, dan werd er gefeest en dat feest vond plaats in het midden van de winter. Vanaf die tijd werd deze maand de Thorramaand genoemd.

Vertaald naar de George L. Hardman vertaling van Hversu Noregr Byggðist

Op grond van deze beschrijving zou een deel van de stamboom van dat Noorse koningshuis zijn:

Fornjótr–Kári–Frosti–Snaer–Thorri–Nórr–Harald Veelhaar, enz.

En de derde bron is de Orkneyinga’s Saga waarin een langer gedeelte over Fornjot en zijn nakomelingen gaan. Die tekst luidt, vertaald:

Er was eens een koning en die heette Fornjot. Hij heerste over de landen Finland en Kvenland. Dat ligt ten oosten van de baai die naar het noorden verloopt tot aan Gandvik; wij noemen dat de Helsingbaai.

Fornjot had drie zoons, de eerste heete Hler die wij Ægir noemen, de tweede heette Logi en de derde Kari. Kari was de vader van Frost, die de vader was van Snae de Oude en de naam van diens zoon was Thorri. Hij (Thorri) had twee zoons. De naam van een van hen was Norr en de andere heette Gorr. De naam van Thorri’s dochter was Goi.

Thorri kon fabuleus offeren, steeds met winterzonnewende voerde hij een offerritueel uit. Dat werd het Thorri-offer genoemd. Toen het weer eens de tijd was voor dat offer, bemerkte men, dat Goi was verdwenen. Ze zochten haar, maar werd niet gevonden. Toen er dan een maand was verstreken liet Thorri hen offers brengen, zodat ze gewaar konden worden, waar Goi was verborgen. Dat werd het Goi-offer genoemd. Desondanks werd ze niet teruggevonden.

Vier winters nadat de twee broers hadden gezworen hun zuster te zoeken, deelden ze het gebied op dat elk van hen zou doorzoeken. Nor ging het vasteland afzoeken en Gorr de afgelegen gebieden en de eilanden; daarvoor ging hij scheep. Elk van de twee broers had veel mannen bij zich. Gorr voer met zijn schip naar het noorden, langs de gebogen zeekust. Nadat hij de Zweedse kust had afgezocht en ook alle eilanden die daar in de Oostzee liggen tot aan de uitlopers van Gothland, voer hij naar Denemarken en zocht ook daar op alle eilanden. Hij ontmoette daar enige familieleden die van Hler’s eiland kwamen (dat is nu Læssö in het Kattegat). Van daar ging de reis steeds verder, maar hij vond zijn zuster niet.

Zijn broer Norr wachtte totdat overal de sneeuw lag en hij goed op sneeuwschoenen vooruit kon komen. Nadat hij Kvenland in het noorden had bereikt en langs de kuststrook verder ging, kwam hij in het gebied waar de mensen Lappen werden genoemd. Dat ligt diep in de Finmark. De Lappen weigerden hem doortocht te verlenen en het kwam tot een gevecht. De kracht en ook de magie waren aan Norr’s kant en zijn tegenstanders werden door angst overmand en vluchtten, zodra ze de krijgsroepen en de getrokken zwaarden zagen. Norr reisde verder langs de bergketen die tussen Zweden en Noorwegen ligt; daar woonden geen mensen en ze moesten wild en gevogelte schieten om aan voedsel te kunnen komen. Ze trokken steeds verder, totdat ze aan een water kwamen, dat ten westen van de rotsformaties stroomde en ze bereikten daarop een zee waar een fjord lag, die zo groot was als een baai. Ze zagen een reusachtige bunzing en prachtige dalen die naar de fjord leidden. Het volk daar verzamelde zich en stelde zich op, bereid voor de strijd tegen Norr; ze zochten het gevecht. Ze vluchtten of vielen echter, toen Norr en zijn mannen over hen heel vielen alsof ze slechts het onkruid in een korenveld waren. Norr reisde verder door het land langs de fjorden en nam het allemaal in bezit en hij riep zichzelf tot koning uit over alle gebieden die bij de fjorden lagen. Dan wachtte Norr tot de zomer voorbij was en de sneeuw weer op de open vuren neerviel. Daarop zette hij zijn reis voort langs het dal dat ten zuiden van een fjord verliep; die fjord heet tegenwoordig Trondheimfjord. Hij stuurde enige van zijn mannen uit om de Mæren te doorzoeken en nam weer alle landen waardoor hij reisde in bezit. Toen hij de zuidelijke heuvelrug passeerde, die ten zuiden van de bocht in het dal lag, trok hij verder door de dalen in zuidelijke richting, totdat hij een groot water bereikte, dat Mjösen werd genoemd. Vandaar ging de reis verder naar de heuvelkam in het westen, want hij had vernomen, dat zijn mannen problemen hadden gehad met de koning daar, die Sogni heette. Ze bereikten de streek Valders, gingen in de richting van de zee en kwamen bij een fjord die Sognefjord heette. Daar stootten ze op koning Sogni en er vond een grote veldslag plaats, want hun magie had geen invloed op Sogni. Toen begaf Norr zich onweerstaanbaar naar voren en vocht met Sogni; deze werd verslagen en veel van zijn mannen vielen eveneens. Toen dat voorbij was, trok Norr verder naar de fjord die ten noorden van Sogne lag. Daar had Sogni geheerst en dat gebied heet nu Sogni’s dal. Norr verbleef daar lange tijd en sindsdien noemde men het water daar de Norafjord (Nordfjord?). Daar ontmoette hij zijn broer Gorr en geen van beiden had iets van hun zuster gehoord. Gorr had ook alle streken waar hij op zijn reis vanuit het zuiden doorgekomen was in bezit genomen. daarop verdeelden de broers het land tussen hen beiden. Norr kreeg het totale vasteland en Gorr alle eilanden waaraan hij op een schip met een vastgezet roer voorbijvaren kon.

Daarna reisde Norr in het hoogland en bereikte Heidmörk (dat heet tegenwoordig Hedemark). De koning die daar heerste, heette Hrolf van de Berg; hij was de zoon van Svadi, de reus die ten noorden van de Dovreberg woonde. En het was Hrolf, die Thorri’s dochter Goi ontvoerd had. Hrolf ging direct op Norr af en bood hem een tweegevecht aan. Lange tijd vochten ze met elkaar en geen van beide raakte gewond. Daarop legden zij hun strijd bij en Norr kreeg Hrolf’s zuster en Hrolf kreeg Goi tot vrouw.

Toen keerde Norr terug naar het land dat hij in bezit had genomen en noemde zijn land Noorwegen (Norvegr). Hij heerste daar tot zijn levenseinde en zijn zoons volgden hem op. Die verdeelden het land onder elkaar en de koninkrijken werden steeds kleiner, omdat er steeds meer koningen kwamen. Dat is de reden, waarom Noorwegen nu verdeeld is in provincies.

Vertaald naar de Engelse vertaling van G. W. Dasent

Omdat twee van de drie zojuist aangehaalde bronnen Thorri zien als een zoon van koning Snae, heeft die zienswijze de voorkeur. Enige terughouding is daarbij wel geboden, want vermoedelijk werd de passage uit de Orkneyinga’s Saga gebruikt voor de desbetreffende beschrijving in ” Hoe de mensen zich in Noorwegen vestigden”.

Waar dat Kaenland, dat ook wel Kvenland wordt genoemd, nu precies lag, is omstreden. Er worden streken genoemd in het noorden van Zweden en van Finland, maar ook een gebied ongeveer daar tussenin, aan de noordkant van de Oostzee. En Thorri’s feest werd dus gehouden wanneer er genoeg sneeuw lag om te skiën.

Uit de proloog van de Proza-Edda en ook uit de Gesta Danorum (De daden der Denen), geschreven rond 1200 door de Deense schrijver, geestelijke en historicus Saxo Grammaticus, kennen we de zienswijze om mythische figuren als mensen uit lang vervlogen tijd te beschouwen – daar worden dan de Noordse goden tot mensen en Troje hun land van oorsprong. Hetzelfde fenomeen wordt ook bij Thorri aangetroffen. Omdat Fornjot echter een vorstreus wordt genoemd en zijn zoons Hlér, Logi en Kári mythologische machten zijn, soms worden ze geïnterpreteerd als gepersonifieerde natuurkrachten, mag ook Thorri op hetzelfde niveau worden gezien – de vermenselijking kan hier worden opgevat als neerhalen van de Scandinavische goden.

De aan die zienswijze ten gronde liggende doctrine hebben bovengenoemde schrijvers echter niet zelf bedacht. Het werd ze hoogstwaarschijnlijk bij hun opvoeding en opleiding met de paplepel ingegoten. Die doctrine werd ontwikkeld in het Griekenland van nog voor de tijdwende. Kijk voor een uitvoeriger toelichting hierover: GardenStone, “Odin – Een mythologische wandeling”, Norderstedt, 2015, blz. 188ff. (Zie bij het literatuuroverzichtje).

Thorri stamt dus van de reuzen (Jötunn) af en dat is eveneens het geval bij meerdere Noordse goden die we uit de Edda’s kennen, zoals b.v. Odin, Thor en Loki.

Verder bestaat er een mogelijke bloedverwantschap tussen Thorri en de god en zeereus Ægir. Hoofdstuk 1 van de al genoemde Skáldskaparmál begint in het Oudnoors met de zin:

Einn maðr er nefndr Ægir eða Hlér

en dat betekent:

Een man werd Ægir of Hlér genoemd.

Wanneer de naam Hlér uit de verschillende bronnen op dezelfde persoon wijst, dan is Thorri’s vader of zijn overgrootvader, afhankelijk van de zienswijze, de broer van Ægir. De Orkneyinga Saga onderschrijft die opvatting:

Fornjot had drie zoons; één van hen heette Hlér die wij Ægir noemen.

Het bovengenoemde document over de kolonisatie van Noorwegen bericht over een midwinter ritueel dat aan Thorri was gewijd. Dat heet het Thorrablot. Omdat Thorri daarin werd geëerd, kan de conclusie worden getrokken, dat Thorri als een Scandinavische god van de winter mag worden beschouwd.

Dit midwinterfeest is vooral gedocumenteerd in IJslandse geschriften.

Met de kerstening van IJsland verdwenen daar ook de heidense rituelen, en pas in de 19e eeuw, waarschijnlijk onder invloed van het tijdperk van de Romantiek, leefde dat weer op. In 1873 hebben IJslandse studenten in Kopenhagen voor het eerst weer een Thorrablot gehouden, dat deden eveneens enige andere groeperingen die er om bekend stonden dat ze de onafhankelijkheid van IJsland nastreefden.

Maar ook al daarvoor vonden rondom Thorri andere feestelijkheden plaats.

In 1728 schreef de IJslandse dominee Jón Halldorson in een brief, dat hij onzeker is, of hij Thorri zou moeten begroeten als een oude traditie of als een nieuwerwets idee van het eenvoudige volk. Hij verklaart, dat hij geen verstandige mensen kent, die in frivole verkleding deelnemen aan dergelijk gedoe, en dat hij zich eigenlijk schaamt om zulke onzin op te schrijven, opdat voorname mensen het kunnen lezen.

Bij het opnieuw ingevoerde Thorrablot gaat het om een avondmaaltijd, waarbij de deelnemers toespraken houden en gedichten declameren. Omdat bij de invoering van dit moderne ‘blot’ (een Oudnoors heidens offerritueel) Thorri vaak met de bekende dondergod Thor werd verward, worden sindsdien niet altijd maar wel vaak Thor en Thorri geëerd, of één van beiden.

In de 60er jaren van de 20ste eeuw kreeg dit feest op IJsland brede bekendheid. Daarvoor was een restaurant in Reykjavik verantwoordelijk. Zij begonnen speciale gerechten op een serveertablet, een soort houten kuip, aan te bieden. Dat eten noemde men Þorramatur (Thorri-eten). De maaltijd bestond hoofdzakelijk uit in plakken of stukken gesneden vlees en vis, beide bereid volgens als bijna verdwenen oude recepten van het platteland. De basis voor de toebereiding waren gewekte, gezouten, gedroogde en gerookte voedingsmiddelen – conserveringswijzen uit de tijd voordat er koelkasten en vriezers bestonden.

Het feest wordt tegenwoordig in de tijd tussen half januari en half februari door veel IJslanders gevierd; of dat nu aan Thorri of Thor is gewijd, is voor de meesten onbelangrijk. En in plaats van op zo’n serveertablet, worden de gerechten gewoonlijk in de vorm van een buffet aangeboden.

Usingen, August/September 2015.

Gebruikte literatuur

Anderson, Rasmus B. (translator), The Younger Edda. Also called Snorre’s Edda, or The Prose Edda, Author: Snorre, Chicago, 1901.

Dasent, George W. (translator), the Orkneyingers’ Saga, 1894.

GardenStone, Odin – Een mythologische wandeling, Norderstedt, 2015.

Hardman, George L. (translator), Hversu Noregr Byggðist (How Norway was Settled), 2011.

Kunin, Devra (translator), A History of Norway (Historia Norwegiae) and the passion and miracles of the blessed Óláfr, Viking Society for Northern Research, London, 2001.

Please share at - Bitte teilen auf - Graag delen op