Computercollage, GardenStone

Eigenlijk was ze een echte langslaapster en wanneer ze zich niet aan de discipline van een veel te luide wekker onderwierp, dan was het helemaal niets bijzonders, wanneer ze ruim na het middaguur besloot op te staan. Haar beroep als schrijfster en freelance journaliste maakten het haar ook wel heel gemakkelijk om ‘s avonds laat spontaan te besluiten om het alarm van de wekker niet aan te zetten.
Maar vanmorgen was alles anders.
Bijna direct al, zo leek het, nadat ze naar bed was gegaan gisteravond, nou ja, kort na het middernachtelijk uur, kwam die droom. Ze liep in het nabije park. Er was verder geen mens te zien. Het was er heel stil. Dat was ook niet echt vreemd, want het nachtelijke donker was nog maar net plaats aan het maken voor de eerste schemering. Zelfs voor de meest fanatieke jogger of mens-hond koppel was het nog veel te vroeg. Bij de grote eik die op het kleine grasveldje stond, zo’n twintig meter verwijderd van de grote vijver, waarin zelfs nog geen slaperige eend zwom, stond ze stil.
Juist op het moment, dat ze weer verder wilde lopen, klonk uit de boom een stem die zacht maar duidelijk groetend zei: “Dag Emmy”.
Niet geschrokken, maar wel heel verbaasd keek ze naar de boom en toen ze daar niemand zag, verder in het rond om zich heen. Toen haar blik weer terug naar de boom ging, gloeide daarin een goudgeel licht dat snel helderder werd en toen zag ze heel duidelijk een gedaante uit de stam van de boom stappen. De omtrek van het wezen bleef wat vaag maar het heel duidelijk een vrouw. Een elf of een fee misschien? Echt duidelijk kon ze dat niet vaststellen. Maar dezelfde stem klonk heel duidelijk en ze kon nu zien, dat de mond van de vrouw bewoog. Drie keer werden dezelfde woorden herhaald: “Wordt wakker en kom hierheen”. Daarop loste de gedaante zich weer op in de boom en het licht verdween eveneens.
Thuis, in bed, werd ze wakker en herinnerde zich de droom.
Maar nu opstaan? Alleen maar omdat een droomwezen dat zei? Nee, besloot ze. En ze draaide zich weer om en gleed weer terug in de slaap. Direct begon weer precies dezelfde droom en ook nu ontwaakte ze weer. En opnieuw kwam die gedachte: “Zal ik nou dan toch maar opstaan en naar het park gaan? Twee keer achter elkaar dezelfde droom is toch wel heel merkwaardig. Ze twijfelde, want onder het dekbed was het aangenaam warm en dat maakte een beslissing om de nachtelijke kou in te gaan niet eenvoudig. Dan, zelfs voordat ze haar spontane besluit nog kon overdenken, sloeg ze het dekbed terug en stond op. Snel kleedde ze zich aan, trok haar laarzen en een jas aan en trok even later de huisdeur achter zich dicht. Bij het licht van de straatlantaarns liep ze met vlugge stappen naar het park. In de flats links en rechts van haar brandde noch geen lamp achter de ramen.
Na zo’n twintig minuten had ze de toegang tot het park bereikt en enige minuten later stond ze bij de vijver voor de grote eik. Ze wachtte hoopvol af of de droom nu werkelijkheid zou worden. Na ruim vijf minuten kwam de eerste twijfel in haar op. Tamelijk ver verwijderd hoorde ze een gegier en een luide knal. Ze negeerde dat en bleef strak naar de boom kijken. Ook nadat ze korte tijd later sirenes in de verte hoorde, bleef ze wachten op het wonder van haar droom.

Maar na nog een kwartier wachten, trok de kou langzaam door haar jas en teleurgesteld draaide ze zich om en liep langzaam terug naar huis. Toen ze in de straat kwam, waar haar flat stond, zag ze direct al, dat er iets heel erg mis was.
Haar flat stond er niet meer. Wat er precies gebeurd was, hoordde ze na korte tijd van een brandweerman. “Er is een vliegtuig daar op die flat neergestort. We zoeken nog, maar het lijkt er heel sterk op, dat er zowel van het vliegtuig als ook van de flatbewoners geen overlevenden zijn.”

trennlinie1