Vrouwen in Asatru;

of tot welke gedachten een man

zichzelf kan opwerpen

wanneer hij een godin dient

 

Nederlandse vertaling: GardenStone

 .

Opmerking vooraf

Dit is de enigszins aangepaste tekst van een lezing van GardenStone in september 2004 op een bijeenkomst van de Duitse Asatru vereniging Eldaring. Meer dan tien jaren zijn inmiddels voorbijgegaan, en de ‘ongelijkheid’ op basis van sekse heeft gelukkig alweer meer afgenomen binnen de Asatru. Desondanks is nog niet het moment bereikt om op de bereikte lauweren te gaan rusten.

 


 

“Wat je ook doet, vroeg of laat zul je daar spijt van krijgen.”
(Thomas van Aquino)

Vanuit dat standpunt gezien: …. laat geen kans voorbijgaan, laat niets onbeproefd….. geniet van het leven in al z’n facetten. En wanneer je er dan achteraf inderdaad spijt van hebt, dan moet dat gewoon je lot zijn geweest, want volgens de oude meneer van Aquino moet je sowieso alles achteraf berouwen.

Daarbij voeg ik nog een volgend citaat:

En vanuit de duisternis weerklonk en stem en deze sprak tot mij:
Lach en wees vrolijk, es had allemaal nog veel erger kunnen aflopen.”
En dus lachte ik en was vrolijk – en inderdaad, ja inderdaad!
Het werd inderdaad allemaal nog veel erger!
Uit: De wijsheid van de Oude Man die op de berg woont.

Wanneer je dan bij dat alles toch niet ophoudt te lachen, dan zul je over dat ‘achteraf spijt krijgen’ ook wel heenkomen … met een lach.

Want:

“De geweldigste ogenblikken in het leven komen onverhoeds, het heeft geen zin erop te wachten.
Thornton Wilder

Wees daarom actief, doe alles met open ogen, wees ondernemend en vermijdt daarbij niet de risico’s die aanvaardbaar zijn, want

Wie zichzelf niet in gevaar begeeft, die zal juist daaraan ten onder gaan.
Wolf Biermann

Je blijft natuurlijk deel uitmaken van onze maatschappij, maar het kan dan heel goed gebeuren, dat jouw handelen niet overeenstemt met heersende waarden en normen. Bedenk daarbij goed:

Onderschat nooit de macht van domme mensen die het met elkaar eens zijn!.
Kurt Tucholsky

Je kunt daarom ook beter niet ‘pralen’ met wat je allemaal doet en onderneemt. Wanneer het beter voor je is, dan is het aan te raden om te zwijgen op de juiste plaatsen en momenten.

Met deze voorgaande overpeinzingen in mijn achterhoofd begon ik aan deze lezing te werken en gedurende de hele voorbereiding en het schrijven eraan bleven ze in m’n hoofd spoken. Ze waren zeker een hulp bij deze ‘onderneming’. Om als man een lezing te houden, een tekst te schrijven over vrouwen – want over de gelijkberechtiging van vrouwen gaat het – dat gaat zeker weten tot aan de uiterste grenzen van dwaasheid. En wanneer dat dan ook nog verbonden wordt met heidendom in het algemeen en speciaal met Asatru in het bijzonder, dan worden zulke grenzen waarschijnlijk ver overschreden. Dat ik het dan toch doe, zal hopelijk niet iedereen vreemd voorkomen, zeker niet degenen, die al het een en ander kennen dat ik publiceerde.
Asatrumensen, meestal aangeduid met ‘Asatruar’ of ‘Asatru’, hebben net als de meeste andere heidenen in principe allemaal een eigen mening over hun religie, ze interpreteren vaak ‘hun’ mythen en sagen naar het eigen, individuele gevoel en vullen de witte plekken in de geschiedenis die erbij hoort meestal sterk gevoelsmatig; aan logica en historische directe of indirecte bewijzen of aanwijzingen wordt daarbij weinig waarde gehecht.

In meerdere opzichten denk ik zo af en toe het ‘vrouwelijke’ in een vrouw te begrijpen en elke keer wanneer ik dan tevreden bij mijzelf zeg: “Ha! Ik wist het toch wel!”, dan gebeurt er weer iets heel anders als ik verwachtte. Dan moet ik vermoedelijk toch instemmen met de inmiddels gestorven Peter Ustinov, toen hij op een keer verzuchtte:

Vrouwen zijn zo onberekenbaar, dat men niet eens op het tegenovergestelde kan vertrouwen van wat ze zeggen.

Hoewel, wanneer ik daarover wat langer nadenk, meen ik toch, dat dit niet een typische vrouwelijk eigenschap is. Want ik herinner me een elektricien, die me beloofde om om negen uur te komen, de hele dag echter niet verscheen. En toen ik hem dan de volgende dag opbelde, zei hij, zich halfslachtig verontschuldigend: “Ja, er kwam wat tussen. Deze week lukt het me niet meer, maar volgende week zeker wel hoor.”
Een uur na dat gesprek verscheen hij dan toch en verrichtte de minimale bezigheid in enkele minuten.
Is de verzuchting van meneer Ustinov dan toch één van die ongegronde spreuken van mannen over vrouwen?

Inderdaad kennen mannen graag aan vrouwen ‘onberekenbaarheid’ toe, en veel vrouwen die ik ken, nemen dat graag over en buiten de daarmee samenhangende handelings-speelruimte flink uit.
Maar is dat nu echt afhankelijk van de sekse? Ik weet het niet, en klaarblijkelijk weet niemand dat echt, hoewel heel veel mensen over deze en andere soortgelijke zaken graag hun vaste overtuiging ten beste geven en deze zelfs als harde feiten zien.

Maar goed, ik ben dus brutaal genoeg om in deze samenhang ‘iets’ over vrouwen te zeggen; hoewel, bij een lezing met zo’n titel, die zo’n beetje alles omvat wat daarbij voorstelbaar is, zou dat ook mogelijk moeten zijn. Daarbij zal ik me beperken tot die gebieden, die mij persoonlijk interesseren. En wanneer bij een van jullie dan achteraf de rode draad van het geheel niet zichtbaar is, of dat iemand een gebrek aan structuur in deze lezing meent te constateren, dan mag je dat aan de ‘Grote Chaos’ toeschrijven; misschien is dat wel een mannelijke eigenschap.

Allereerst wil ik graag wat in de geschiedenis grasduinen. Niet omdat daarmee bestaande misstanden gelegitimeerd kunnen worden, maar veelmeer om de nog bestaande ongelijkheid of ongelijkwaardigheid in het bewustzijn op te roepen. De hoofdreden is echter, dat ik op dat gebied wat research heb gedaan, en daarvan dan ook wel wat aan jullie kwijt wil.

Omdat we bijna allemaal in een maatschappij zijn opgegroeid die een duidelijk christelijk stempel draagt, dragen wij dat stempel ook. Daarom hoef ik nu niet op glazige ogen vol onbegrip te rekenen, wanneer het centrale boek der Christenen ter sprake komt … zoals nu …
In deze samenhang past min of meer terloops de opmerking, dat taalwetenschapgelijk onderzoek heeft vastgesteld, dat het oudst bekende bijbalfragment, Het zegelied van Miriam na de doortocht door de Schelfzee (ook wel Rode Zee genoemd), aan een vrouw wordt toegeschreven.
Vroege geschiedenis

Uit de Bijbel kent vermoedelijk iedereen wel min of meer het verhaal van Kaïn en Abel, waarin de akkerbouwer Kaïn zijn broer Abel, de schaapherder dood slaat. Dat is in zoverre opmerkelijk, omdat op grond van historische ontwikkelingen het omgekeerde waarschijnlijker was geweest. Door de millennia traden steeds weer tegenstellingen en conflicten op tussen akkerbouwende volken die een vaste woonplaats hadden en veehouders, die veel weideland nodig hadden en steeds verder trokken nadat een gebied was afgegraasd. Bijna altijd waren het daarbij de herdersvolken die daarbij de overhand hadden; zij waren sterker en hadden meer agressieve energie. Vanuit de wetenschap der voedingsleer is dat ook verklaarbaar:
Het voedsel van de herdersvolken bestond overwegend uit vlees, melk en daarvan afgeleide producten. Wie dat in grotere hoeveelheden over langere tijd tot zich neemt, is sterker, energieker en strijdlustiger dan degenen wiens voedsel overwegend bestaat uit plantaardige eiwitten. In de dierenwereld is dat heel goed te herkennen. Roofdieren eten bijna uitsluitend vlees en juist dat hebben ze ook nodig voor de zojuist genoemde eigenschappen – die hebben ze nodig om aan voedsel te komen. Daarentegen zijn planteneters in het algemeen niet agressief wanneer ze niet worden bedreigd. Dit verschijnsel uit de dierenwereld was ook aan te treffen bij de vroege jagers- en boerenvolken. Het zou wellicht een interessant experiment zijn, wanneer ieder van ons bij zichzelf zou nagaan, in hoeverre dat nog opgaat. Binnen enige vechtsporten, bv. bij het boksen, wordt door trainers nog vaak aangeraden enige tijd voor een wedstrijd dagelijks bijna rauwe biefstuk te eten.
Maar natuurlijk lag dat overwicht van de herders- en jagersvolken niet alleen aan het voedsel, ook hun levenswijze vormden sterk het persoonlijke karakter. Het nachtelijke waken bij de kuddes en de voortdurende strijd met roofdieren en menselijke vijanden drukten hun stempel op de verhoudingen binnen zulke volken. Volkeren die oorspronkelijk veehouders waren, kenden een duidelijke masculine dominantie; de man was de heerser en de vrouwen dienstbaar. Dat was bv. het geval bij de Indo-Europeanen, de Semieten, de Hunnen, de Mongolen en de Turken. Daarentegen was dat bij de meeste vroege akkerbouwende volken meestal omgekeerd. De Duitse wetenschapper Reinhard Schmoekel schrijft in zijn Duitstalig boek “Die Indoeuropäer”:

In feite zijn alle moderne pogingen rondom de emancipatie van de vrouw, de juridische en praktische gelijkberechtiging van de beide seksen niets anders dan het pogen om de tot op heden zich handhavende patriarchale maatschappelijke ordening van de Indo-Europeanen en andere veehouderij volken af te bouwen.”

Dat is vermoedelijk ietwat simplistisch gesteld, maar het kan zeker wel een deel van een verklaring zijn voor huidige maatschappelijke structuren.

Het Europa van zo ongeveer 6500 jaar geleden was weliswaar heel dun bevolkt, maar er was wel een bevolking. Waar deze mensen vandaan kwamen, is niet bekend, maar ze waren hoogstwaarschijnlijk hoofdzakelijk akkerbouwers; daarbij dient het begrip ‘akker’ niet in onze moderne opvatting van een stuk gecultiveerd bouwland te worden opgevat.

Er bestaan enige indicaties die zodanig kunnen worden geïnterpreteerd, dat deze oude bevolking, die vaak met de naam ‘Oud-Europeanen’ wordt aangeduid, matriarchaal was georganiseerd: er bestond een gelijkberechtiging van mannen en vrouwen, leiding en eigendom werden via de moeders doorgegeven. Mogelijk bestond er geen adelstand, geen bevolkingslaag die meer voorrechten had dan de rest. Godheden waren, wanneer men afgaat op de gevonden afbeeldingen, overwegend vrouwelijk en tussen naburige groepen ging het vermoedelijk relatief vredig toe. Maar een matriarchaat in de betekenis van een politiek-maatschappelijke heerschappij van vrouwen is die tijd hoogstwaarschijnlijk niet geweest.

 

Hier is een kleine uitweiding m.b.t. de vraag naar een Matriarchaat in Midden- en Noord-Europa zinvol.

Allereerst kort iets over het begrip matriarchaat: hiervoor bestaan in diverse bronnen uiteenlopende omschrijvingen die soms met elkaar overeenkomen, vaak echter ook niet. Een van de bekendste definities die ook tegenwoordig nogal eens wordt aangehaald is:
Matriarchaat: Heerschappij van de vrouwen. Het woord matriarchaat ‘ontstond’ aan het einde van de 19e eeuw. Het duidt op de politieke heerschappij van de vrouwen in een maatschappij en tevens hun dominantie in het gezin en de familie.
Waarbij eigenlijk het woordje HEERschappij al misplaatst lijkt, mogelijk is het hele begrip misleidend. Daarover verderop meer …

In 1862 publiceerde de Zwitser Johann Jakob Bachofen, inwoner van de stad Bazel zijn boek “Mutterrecht und Urreligion” en slechts zelden was een boek de basis voor zoveel fouten die ook tegenwoordig nog steeds in publicaties en gesprekken doorwerken.
Bachofen meende op grond van de historische kennis uit zijn tijd vast te kunnen stellen, dat er op veel momenten in de geschiedenis sprake was van heerschappij van vrouwen. Intussen weten we al lang, dat hij veel van de indicaties die hij verzamelde foutief interpreteerde; de voortgang van het historisch onderzoek heeft dat onomstotelijk aangetoond.
Wanneer er in onze prehistorie sprake is van godinnen en vrouwen in leidende posities, dan duiken direct begrippen op zoals matriarchaat en moederrecht en staan centraal in de discussies. Maar de veelbesproken Amazonen en zieneressen wijzen helemaal niet vanzelfsprekend op ‘moederrecht’; vaak ging het daarbij om ‘erfrecht’ en dat hoeft helemaal niet automatisch samen te hangen met vrouwen-, respectievelijk godinnenheerschappij. Desondanks gelden deze en andere onjuiste zienswijzen van Bachofen in veel kringen nog steeds als harde feiten en hoeksteen van geloofsovertuigingen.
Gezien de stand van kennis van het wetenschappelijk matriarchaat-onderzoek past de omschrijving dat matriarchaat een ‘heerschappij van vrouwen’ is, niet meer in de huidige tijd.
Met matriarchaat wordt niet meer eenvoudige het tegenovergestelde van patriarchaat bedoeld, de situatie waarin de mannen heersen. Wetenschappelijk gezien kenmerken matriarchale culturen zich daardoor, dat ze geen machtsuitoefening op basis van sekse kennen. De belangrijkste kenmerken van zulke culturen zijn:

  • de sociale ordening gaat via de moeders
  • de woonplaats wordt bepaald door vrouwelijke opvolging
  • dergelijke culturen zijn in grote mate vrij van overheersing
  • er heerst gelijkwaardigheid van seksen

Omdat vanwege de vele uitlopende definities van ‘matriarchaat’ het begrip intussen behoorlijk wazig is geworden, wordt toenemend ook wel het nieuw gevormde woord ‘matristisch’ gebruikt om zulke culturen aan te duiden.

Met een andere fout moet ook hoognodig worden opgeruimd: Al te lang gaat in romantische, esoterische en heidense kringen de overtuiging rond, dat een heerschappij van vrouwen automatische vredige tijden met zich mee brengt. Zeker, zolang ze kinderen grootbrengt is een vrouw aangewezen op vrede, maar buiten die functie is ze niet vredelievender dan een man. Mogelijk is ze zelfs minder vredelievend; het vermoeden bestaat, dat ze een sterkere gevoelsintensiteit heeft en een meer uitgesproken gevoel voor ‘wat absoluut nodig is’ en dat kan haar onder omstandigheden tot een vechtster maken, die furieuzer, hartstochtelijker en compromislozer is dan een man.
Is dat laatste dan misschien iets, dat vrouwen werkelijk van mannen onderscheidt? Of is ook dat toch weer iets, dat zich onder bepaalde sociale en maatschappelijke voorwaarden kan ontwikkelen? Zowel bij vrouwen als bij mannen. Misschien zijn daarvoor alleen de noodzakelijke voorwaarden verschillend.
En er wordt vaak ook beweerd, dat emoties zoals geestdrift, maar ook haat en wraakzucht bij vrouwen sterker zouden zijn dan bij mannen en die eigenschappen zouden een vrouw dan in een angstwekkende en doodsverachtende krijger kunnen veranderen. De amazonen zijn daarvoor een sprekend voorbeeld, maar ook de Russische vrouwelijke soldaten uit de 2e wereldoorlog.
Is dat dan misschien een echt vrouwelijk kenmerk of weer het resultaat van opvoeding en levensomstandigheden?
In de Germaanse mythologie biedt bv. De wraak van Kriemhilde weinig reden om vrouwen principieel meer vredelievendheid en mensenliefde toe te schrijven. Aan de andere kant … deze mythen zijn door mannen opgeschreven en hebben deze dan misschien aan vrouwen zulke eigenschappen toegedicht?
Dat weerspiegelt zich ook in andere mythen rondom de Germanen. We kunnen daarbij bv. Denken aan de Nornen. Volgens praktisch alle oude bronnen zijn dat geheel ongenaakbare figuren die veraf staan van het warmbloedige leven der mensen. Soms worden ze zelfs niet eens als godinnen gezien; ze bevinden zich op een geheel eigen niveau en alle goden en godinnen zijn onderworpen aan het lot dat deze Nornen weven. Ze zijn onbuigzaam, vervullen geen smeekbeden, ze zijn heel woordelijk het (nood)lot.
Omdat het Oudnoorse woord voor dat lot ‘orlog’ is, wordt vaak aangenomen, dat in de ogen van de Nornen de strijd, de oorlog een oerwet van de mensen is. Over die Nornen schrijft de godsdienstwetenschapster Britta Verhagen:

De noodlotsvrouwen vertegenwoordigen de onverbiddelijkheid en de onwrikbaarheid van de menselijke lotsbestemming en de eeuwige wetten van het zijn.

Wie daarom verlangt naar vrede, zachtmoedigheid, geluk en harmonie moet dat niet per se met vrouwelijke leiding verbinden. Desondanks zou zo’n leiding wel een echte kans moeten hebben, wanneer men bedenkt, hoe erbarmelijk de heerschappij van mannen het in die opzichten in de laatste tweeduizend jaar hebben gerealiseerd.

Uit deze korte uitweiding over matriarchaat zou ik niet teveel willen distilleren, misschien alleen maar, dat zachtheid, vredelievendheid, noch meedogenloosheid en strijdlust typische mannelijke of vrouwelijke eigenschappen zijn; ze zijn vermoedelijk niet eens typisch menselijk. Net zo min zijn aspecten zoals inzicht en wijsheid sekse specifiek.

 

Tot zover deze ‘excursie’ – terug naar de geschiedenis

Zo ongeveer 6500 jaar geleden trokken kleinere groepen van die herdersvolken naar het oude Europa. Deze Kurgan-herders, zo worden ze tegenwoordig genoemd, woonden waarschijnlijk oorspronkelijk direct noordelijk van de Zwarte Zee en trokken van daar in verschillende richtingen weg. Er worden vier emigratiegolven in de richting van Europa aangenomen, de laatste was vermoedelijk zo rond 2200 voor het begin van de jaartelling afgesloten. Door hun overwicht, dat ze niet alleen maar feitelijk bezaten, maar ook gevoelsmatig moeten hebben getoond, konden ze zich bijna overal laten gelden en hun patriarchale cultuur vestigen, waarin de rijke mannen en priesters het voor het zeggen hadden. De rijkste man, (degene met de grootste kudde) was daarbij in feite de meest aangeziene, kon voor zich en zijn familie het grootste huis bouwen, dat was omgeven door kleinere huizen van de anderen. Toen al was er sprake van een soort adelstand, waarbij hoogstwaarschijnlijk (nog) geen sprake was van een absolute heerschappij. Het wordt aangenomen, dat er een raad van familiehoofden bestond, die ook veel invloed bezat. Eveneens wordt er vermoed, dat de oude Kurganvolken ook een ‘bijeenkomst van alle weerbare mannen’ kenden, waarvoor het woord ‘Teuta’ word aangenomen.

Sedert de komst van de Kurgan herdersvolken 6500 jaar geleden kende Noord- en Centraal-Europa hoogstwaarschijnlijk geen matriarchaat. Hoogstens kan in streken waar de Kurganmensen zich met de bevolking daar vermengden zonder dat ze daarbij hun heerschappij vormen konden doorzetten, worden gesproken van een ‘mengcultuur’, een maatschappij, waarin het leiderschap niet werd bepaald op grond van sekse.
Dan moet dus in zulke gebieden de Oudeuropese akkerbouwende bevolking sterk gebleven of weer geworden zijn, bv. daar, waar de akkerbouw beter mogelijk was dan veeteelt. Dat is zeker niet onmogelijk, maar het kan niet meer zijn dan speculatie.

 .

Germanen

Soms wordt het vermoeden geuit, dat de Germanen op het Europese vaste land, wellicht tot hun intensievere contacten met de Romeinen, zo’n culturele mengvorm kenden. Het noorden van Europa daarentegen kende zeer harde levensomstandigheden; de jacht, visserij, zeevaart en strijd vereisten in de meeste gevallen de sterkere lichaamskracht van de mannen. Hoewel de vrouwen daar veel harder moesten zijn dan zij, die veel zuidelijker woonden, hadden in het noorden toch de mannen de zeggenschap over maatschappelijke zaken die tegenwoordig als belangrijk worden gezien. Desalniettemin verrichtten ook de Germaanse vrouwen harde arbeid en, wanneer dat nodig was, vochten ook zij aan zij met de mannen of zij waren verantwoordelijk voor de verdediging van hun huis. In het algemeen stonden vrouwen bij de noordelijke volken in hoog aanzien; in de mythen en sagen komen veel sterke vrouwelijke persoonlijkheden voor, die ook als zodanig door de mannen gezien en bewonderd werden… tenminste, zo wordt dat in commenterende literatuur vaak gepresenteerd. Of dat inderdaad in alle opzichten klopt, moet wel een vraagteken blijven.

 

Een paar woorden ter overpeinzing hiertoe:

Sedert de vroege, christelijke middeleeuwen en sinds de Renaissance zelfs noch sterker delen we de ‘bestuursniveaus’ van de prehistorie en de Oude tijd hiërarchisch in, en dat dan volgens de huidige maatstaven. Landelijke sociaalpolitieke gebieden nemen daarbij de hoogste plaats in en dan gaat het afwaarts tot de kleinste sociale eenheid, het gezin, de familie. Juist deze hiërarchie transfereren we ook naar de Germaanse maatschappij. Dat is echter een heel twijfelachtige handelwijze. Er bestaan heel aanneembare redenen om dat zo ongeveer omgekeerd te zien; de ‘hogere’ beslissingsniveaus bestonden destijds uiteindelijk alleen maar om de familie en het eigen huis bescherming te bieden. Vanuit die zienswijze namen, wanneer je nou zo nodig de beslissingsniveaus hiërarchisch wilt indelen, de familie en het huis de hoogste positie in – de bewoners van enige huizen sloten zich aaneen om hun huizen te beschermen, samen waren ze sterker dan één alleen; de bewoners van twee zulke ‘dorpjes’ sloten zich aaneen om …. enz.
En binnen het gezin, de familie hadden mannen en vrouwen weliswaar verschillende taken, maar hiërarchisch gezien waren ze waarschijnlijk gelijkwaardig. Zo’n zienswijze werpt een heel ander licht op de positie van de Germaanse vrouw met betrekking tot de beslissingsbevoegdheden.
Want dan is een bijeenkomst van weerbare vrije mannen niet een hoogste raad, maar slechts een vergadering waar werd overlegd hoe de opgaven waarvoor ze verantwoordelijk waren, het best konden worden uitgevoerd. Dan ook had de afwezigheid van vrouwen bij dergelijke bijeenkomsten geen hiërarchische redenen, maar praktische – in deze benadering hadden de vrouwen waarschijnlijk ook hun eigen bijeenkomsten waar ze best mogelijke uitvoering van hun taken bespraken.
Deze overweging is vanzelfsprekend louter giswerk, zou desondanks niet lichtvaardig afgewezen moeten worden, tenslotte berust veel wat we over de vroege Germanen denken te weten op theorie, op aannames, op vermoedens en op giswerk.

Uit de vroegste geschiedenis bestaan al (toegegeven, meerduidige) aanwijzingen op mogelijke cultussen rondom een aardmoeder en ook bij de Germanen nam zij een plaats in. (De Germaanse godin Nerthus werd door de Romeinen een aardmoeder genoemd). Ze is in diverse culturen onder diverse namen bekend, een van de oudste is waarschijnlijk ANA of NANNA en dat is dan weer terug te vinden in veel afleidingen. In het Oud-Iers betekent AMI ‘godenmoeder’, de Romeinse godin DIANA, de naam kan worden opgedeeld in DI en ANA (godin ANA) en was oorspronkelijk vermoedelijk een aardmoeder. In het Latijn heet ‘moedertje’: ANNULA’. De Kelten noemden de aarde ANA en in het Gotisch is dat F-ANA. ANA betekent ook ‘moeder van de sibbe’ en is het oerwoord voor het Duitse woord ‘Ahnen’ (voorouders), dat pas later de mannelijke status van ‘voorvaderen’ kreeg.
Was misschien de voorouderverering (verering van de voorvaderen) oorspronkelijk een aardmoeder- of moederverering? Dat is tenminste toch het overdenken waard.
Wij kennen de Noordse godin Nanna als echtgenote van de god Balder. Door haar naam zou een herwaardering van haar status en betekenis niet achterwege moeten blijven.

Het zou daarom een goede zaak zijn, wanneer aanhangers van Asatru zich wijden aan de aardmoeder Nanna. En dat men voor bovenstaande benadering en betekenis van haar naam niet op oude noordse geschriften zoals de Edda teruggrijpen kan, zou geen probleem moeten zijn, want het gaat hierbij om religie:

“Religie kan niet worden begrepen, kan niet worden gedacht, maar alleen worden beleefd, geleefd met de diepste roerselen van de ziel, die de hele mens omvat en in diep in zich alles bevat wat is. Gidsen voor die beleving waren (en zijn) sedert de steentijd de religieuze rituelen. Omdat deze zich niet op het verstand beroepen, zijn ze ook nu nog in staat zulke diepe vibraties op te wekken.”
Britta Verhagen

Bij de Vikingen moet Thor in een bepaalde periode in in een bepaald gebied de meest favoriete god zijn geweest, die ook het vaakst om hulp werd gevraagd. Juist Thor beantwoordde waarschijnlijk het best aan de voorstellingen van de mannen, hij war voldeed vermoedelijk het best aan hun idealen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat binnen de Asatru-gemeenschap veel mensen Thor (of Donar) aanroepen in hun rituelen, omdat hij in de mythologie zo’n belangrijke rol inneemt. Maar of hij nu werkelijk de belichaming is van de mannelijke idealen in de huidige tijd is nog maar de vraag. De wat boerse gabber, degene die met een vervaarlijke hamer zwaait, de vuistvechter, de doder van reuzen … is die krijgszuchtige bereidheid om meedogenloos alles te verpletteren wat ons misschien zou kunnen bedreigen, is dat werkelijk onze huidige ultimatieve voorstelling van het oplossen van conflicten?
En die vraag gaat ook naar de Asatru-vrouwen, die ook vaak Thor aanroepen.

.

19e en 20e eeuw

In dit tijdperk heerste bij de boeren in het zuiden van Duitsland een strikte verdeling van werk en inkomsten; Het geld voor de verkochte melk en de eieren was van de boerin en zij had daardoor geregelde inkomsten, terwijl de boer kortstondige inkomsten had, wanneer hij zijn oogst of een dier uit zijn veestapel had verkocht. Zo was het tenminste in grote delen van Zuid-Duitsland, in het Beierse Woud (zuidoosten) was dat deels zelfs nog zo tot in de 80er jaren van de 20e eeuw.

In het proletariaat van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw was het normaal, dat de mannen aan het einde van de week hun loonzakjes aan hun vrouwen afgaven en van hen dan een paar centen kregen om een bier te kunnen kopen. Het verdiende geld werd verder door de vrouwen beheerd en over de verschillende vaste lasten verdeeld.
Bij het burgerlijke deel van de bevolking daarentegen behield de man het verdiende geld en gaf de vrouw slecht het nodige als huishoudgeld.

Bij de arme families, waar de vader steeds het grootste stuk vlees (wanneer dat dan op tafel kwam) en de grootste portie van het andere eten kreeg, wees dat niet op een patriarchale verhouding, maar kwam voort uit noodzaak; vaak moest hij heel zwaar werk verrichten en moest onder andere door genoeg voedsel, daarvoor ook de kracht behouden.

.

Tegenwoordig

Bij een (echt)paar, waar klaarblijkelijk de vrouw de meeste beslissingen neemt, wordt de man vaak door zijn soortgenoten openlijk of achter voorgehouden hand als een watje of sul gezien, aan de andere kant, wanneer de man het voor het zeggen heeft, wordt zo’n gezin door kritische waarnemers vaak als patriarchaal gezien en door conservatieven als een voorbeeld van een ideale maatschappij.
Vaak is echter van mensen ook te horen, dat het bij hen heel anders toegaat; besluiten die moeten worden genomen worden eerst besproken en dan volgt een gemeenschappelijke beslissing. Niet de sekse, maar degene met de beste argumenten, met de grootste mond of met het langste uithoudingsvermogen ‘om erover te praten’ is dan doorslaggevend. Hier blijven dan schijnargumenten, die echter vaak beslissend zijn, zoals “je houdt niet meer van me, anders had je wel …” buiten beschouwing.

Wat kunnen deze, toegegeven heel schetsmatige, kijkjes in historische en historisch-speculatieve fragmenten leren voor het gedrag tegenwoordig?

Uiteindelijk is het matriarchaat in de oertijd een geloofskwestie:
Wie de theorieën rondom het matriarchaat en het daarmee samenhangende beeld van de geschiedenis gelooft (aanneemt), die zal ook gemakkelijk in de archeologische vondsten mogelijke matriarchaten zien. Maar het idee van van een matriarchaal tijdperk is een hypothese, dus een uitgangspunt dat niet op bewijzen stoelt. Wanneer hier dan wordt beweerd, dat in z’n algemeenheid gezien, er matriarchaten hebben bestaan, en daarvan is schrijver dezes overtuigd, dan is dat louter een persoonlijke opvatting en interpretatie en in geen geval een historisch feit.

Degenen die het bestaan van matriarchaten geheel afwijzen en het voor een moderne mythe houden, kan men in elk geval daarin bijvallen, dat zo’n mythe dan meer over de huidige maatschappij zegt als over welk verleden dan ook.

Verder wil dit historische uitstapje eigenlijk niet overdreven veel zeggen; ten eerste diende het de ‘verslaving aan research’ van de referent, maar natuurlijk ook zou het duidelijk moeten maken, dat noch mannelijke, noch vrouwelijke heerschappij over de desbetreffende andere sekse rechtvaardig is.
Dan klinkt dan heel eenvoudig, het volledig accepteren ervan is toch wel een hele stap. Want wat zou dat dan voor ieder van ons in de praktijk betekenen? Dat zou ieder voor zichzelf es moeten overdenken.

Op deze plaats wil ik er graag een lans voor breken, dat de toch in veel gevallen overaccentuering van de (mannelijke) goden in Asatru plaats maakt voor een gelijkwaardige plaats van de godinnen in de religieuze praktijk. Asatru kent tenslotte veel meer godinnen dan goden!
En om het maar es provocerend te stellen:
Waarom zouden Asatru mensen allemaal Wodan (Odin) als hoogste van de goden moeten zien? Bestaat daarvoor werkelijk een religieuze reden? Religieus gezien kan een godin toch zeker ook als de hoogste in de eigen verering worden gezien…. wanneer je nou zo nodig een hierarchie wilt zien in de godenwereld, alleen maar omdat een boek over mythologie dat zegt.

In de desbetreffende research bestaat een breed geaccepteerde theorie, dat het gezin, de familie zoals wij die kennen als wettelijk gegeven, is voortgekomen uit de onderdrukking van de vrouw en dat vanuit de heerschappij van mannen over vrouwen de heerschappij van mannen over mannen is ontstaan en uiteindelijk de vorming van naties evenzo. Het zou mogelijk een interessant lange-termijn experiment zijn om te ervaren hoe een maatschappelijke ordening er zou uitzien wanneer deze onder vrouwelijke leiding zou staan.
Dat is echter niet bedoeld als een pleidooi voor zoiets; de gelijkwaardigheid en het hebben van gelijke rechten op alle gebieden waar dat nog niet het geval is, heeft de voorkeur om te worden nagestreefd. Voor zo’n situatie kunnen we ‘dus’ niet feitelijk uit de geschiedenis leren, zulke verhoudingen in een maatschappij hebben mogelijk nog nooit bestaan, en zo ja, dan zolang gelden, dat we er verder niets over weten. Voor de realisatie van zo’n streven zijn we daarom op onszelf aangewezen. Zo’n weg is in de praktijk zeker niet eenvoudig te gaan, want bewegingen tegen patriarchale structuren zijn in onze maatschappij nooit echt door alle lagen van de bevolking mee gedragen:

De traditionele lagere en de middenklasse – boeren, winkeliers in kleine steden en anderen die niet kunnen profiteren van de consumptie overvloed en het gevoel hebben, dat hun concepten van waarden en normen en hun identiteit worden bedreigd – houden zich stevig vast aan de oude patriarchaal-autoritaire orde; ze worden woedende tegenstanders van nieuwe tendensen en met name van die groepen die nieuwe waarden en stijlen het duidelijkst en meest radicaal tot uitdrukking brengen.
Erich Fromm

Dat gaat ook aan Asatru niet voorbij, tenslotte maken zij deel uit van de huidige maatschappij en komen uit uiteenlopende bevolkingsgroepen. Maar daarbinnen kan met zelfreflectie en met gesprekken met elkaar worden voorkomen, dat zich binnen Asatru geen ongewenste hierarchien vormen, ook niet zulke, die op sekse berusten. Daarom moet dat binnen Asatru hoge prioriteit hebben; mannen en vrouwen zijn in veel opzichten niet gelijk, maar zeker wel gelijkwaardig en dat dient in de Asatru-praktijk tot uitdrukking komen.
Zulke worden en zinnen ‘klinken’ op papier prachtig en vanzelfsprekend, en wanneer ze worden uitgesproken evenzo. Maar zoiets moet wel worden getoond, moet in het dagelijkse doen en laten vanzelfsprekend zijn, het moet worden geleefd. Pas dan wordt het geloofwaardig. En het vereist, dat we ons bewust moeten zijn van aspecten die als het ware automatisch als typisch mannelijk of typisch vrouwelijk worden ingedeeld:

  • Zijn mannen werkelijk de betere chauffeurs?
  • Zijn er werkelijk beroepen en bezigheden die vrouwen op grond van hun sekse beter kunnen dan mannen? De vraag geldt ook voor het tegenovergestelde!
  • Kunnen vrouwen beter een huishouden leiden dan mannen?
  • Willen alle mannen nou echt allemaal ‘hetzelfde’?

En wanneer er op basis van biologische verschillen inderdaad zulke zaken bestaan, dan is het nog maar de vraag of daaraan dan ook tegemoet moet worden gekomen; wanneer een man iets kan doen dat een vrouw op grond van haar vrouw-zijn beter zou kunnen doen, dan mag dat toch voor hem geen reden zijn het dan maar te laten. En omgekeerd net zo. In de ‘vrouwenbeweging’ kent men deels zo’n benadering al, afgaande op het gezegde dat in zulke organisaties soms rondgaat:
“Een vrouw die probeert zo goed te zijn als een man, heeft gewoon geen eerzucht.”
In elk geval neigen mannen er eerder aan toe om activiteiten waarvan ze denken dat vrouwen dat beter zouden kunnen, dan maar te laten en zelfs af te wijzen als eigen bezigheid.

Wanneer het mannen en vrouwen betreft, dan speelt seksualiteit en seksuele moraal vaak een belangrijke rol. Het speelt zelfs op de achtergrond vaak veel sterker mee als gewoonlijk wordt toegegeven. Daarom ook hierover een paar woorden …

Uit de Noordse mythen kan men duidelijk opmaken, dat er bij de goden veel huwelijken bestaan, dat echter ook veel goden en godinnen daarnaast monter hun liefdesaffaires hebben en er nogal wat buitenechtelijke godenkinderen zijn. Wanneer nu, zoals door mythologie onderzoekers wordt gezegd, de mythen over de goden een afspiegeling zijn van de menselijke cultuur waarin die mythen ontstonden, en dat lijkt een acceptabel standpunt, dan had het huwelijk destijds een andere inhoud dan in onze tijd het geval is. Het burgerlijke huwelijk zoals wij dat kennen, is dan ook geen voortzetting uit iets dergelijks uit Germaanse tijd en van Germaanse volken. Het is afkomstig uit het Middellandse Zeegebied en berust op historische, maatschappelijke achtergronden uit dat gebied.

Het huwelijk en soortgelijke verbintenissen hadden en hebben nog steeds in wezen een economische functie die ook door wettelijke voorschriften wordt ondersteund, het is in geen geval de natuurlijke structuur voor het vormen van een gezin, een familie. Oorspronkelijk was dat ook niet verbonden met de aanspraak op het exclusieve recht op de seksuele activiteit van de partner. Mensen kennen geen monogaam instinct en de jaloezie die we daarbij al te goed kennen heeft evenmin een natuurlijke oorsprong.
De monogamie is heel waarschijnlijk ook pas ontstaan nadat het monogame huwelijk zich had doorgezet. En dat is waarschijnlijk ontstaan toen in de vroege culturen het bezitten van een kudde de centrale plaats innam ten opzichte van de akkerbouw en de jager-verrzamelaar culturen. De man was de eigenaar van de kudde en had daarmee een sterk economisch overwicht ten opzichte van de vrouw. De monogamie zal vermoedelijk eerst sterker voor de vrouw hebben gegolden dan voor de man, maar vrouwen zullen ook hun eigen sterke argumenten hebben gehad om dat dan ook van de man te verlangen. Het wordt vermoed, dat, waar dit stadium van het overwicht van de herdersvolken later of geheel niet optrad, het monogame huwelijk ook pas veel later voorkwam.

Eerlijk gezegd, onze maatschappij kent ook het loslaten van de monogamie; wat bij ons vaak als een steels, heimelijk terrein wordt gezien, sommige noemen het zelfs de schaduwzijde van onze maatschappij, dat omvat heel veel mannen en vrouwen die gehuwd zijn of in soortgelijke verbintenissen leven, die daarnaast affaires hebben. Ik zou niet de reacties en gevolgen willen inschatten, wanneer met de bestaande en toekomstige genetische methoden alle kinderen op de afstamming van hun ouders zouden worden onderzocht.

In het algemeen heeft Asatru als religie geen antwoord op de vraag, of zoiets religieus verwerpelijk is. Een antwoord mag zich daarbij niet tot een kort ja of nee beperken, maar de bewustwording van de eigen redenen en achtergronden spelen waarschijnlijk een eigen individuele rol en daarvan moet men zich toch eigenlijk ook bewust zijn.
Verliefdheid, liefde en wellust kennen op zich geen natuurlijke grenzen, en deze te beperken tot één partner heeft dan ook veelmeer culturele dan natuurlijke redenen. En wie in onze maatschappij harmonisch wil leven, die moet zich bewust zijn van de morele regels die er heersen.

Vanzelfsprekend zijn de aspecten die met gelijkwaardigheid der seksen samenhangen niet typisch Asatru, maar ze zouden wel tot het dagelijkse leven van een Asatru moeten horen; veel asatru mensen geloven, dat gelijke rechten en gelijkwaardigheid voor mannen en vrouwen tot de wortels van hun geloof behoren. Wellicht niet uit de tijd van de Vikingen, maar mogelijk uit de tijd, voordat de Germanen met de Romeinen in aanraking kwamen.
Het kan zijn dat nu bij menigeen de vraag opkomt, waarom zo’n onderwerp vandaag de dag nog wordt aangesproken. Want velen zullen wel het idee huldigen, dat mannen en vrouwen toch al gelijke rechten hebben, het staat immers in de grondwet.
Of dat echter ook overal in de praktijk tot uitdrukking komt, is nog maar de vraag. Daarom een paar ‘prikkels om de gedachten erover te laten gaan:

  • Hoe is de verhouding mannen – vrouwen bij staatssecretarissen en ministers in de regering?
  • En hoe zit dat in het provinciaal bestuur waar je woont?
  • En hoe is die verhouding in je gemeente- of stadsbestuur?
  • En bij de verenigingen waarvan je lid bent?
  • En bij de leidinggevende posities van het bedrijf waar je werkt?

Je kunt hier zelf vast nog wel meer bij aanvullen.

En daarmee nadert dit betoog dan zijn einde. Of het nu werkelijk een rol zal spelen bij de individuele gedachten en het eigen gedrag is vóór alles een kwestie van willen en persoonlijk initiatief. Het eenvoudig maar overlaten aan de god of godin die ervoor verantwoordelijk is, schijnt niet de juiste weg te zijn, hetgeen duidelijk wordt gemaakt door de navolgende anekdote, die natuurlijk echt gebeurd is. Met dank aan Robert Anton Wilson:

Op een dag had de activist voor sociale veranderingen de godin hartstochtelijk gesmeekt om te komen en hem aan te horen. Korte tijd na die smeekbede sprong zijn radio vanzelf aan en een vrouwenstem sprak:

JA? HIER BEN IK.

De activist riep in hoogste verrukking:

O hoogste der godinnen, aardmoeder en oermoeder van alle mensen. Koningin van de ordening en heerseres van de chaos, vorstin van de harmonie en meesters van de tweedracht. Brengster van harmonie en zaaister van verwarring. Voortreffelijkste dame, ik smeek u vanuit het diepst van mijn hart een zware last van mij af te wentelen!

De godin:
WAT ZIJN DAN JE PROBLEMEN? JE KLINKT OF ER IETS ERG MIS IS!

De activist:
Ik word van angst vervuld en word gekweld door angstwekkende visioenen die veel pijn veroorzaken. Overal verwonden de mensen elkaar. Het onrecht op aarde grijpt steeds meer om zich heen, hele samenlevingen plunderen groepen mensen die tot hetzelfde volk behoren. Moeders laten hun zoons gevangen nemen, kinderen verdwijnen, terwijl broers tegen elkaar oorlog voeren. Vrouwen worden onderdrukt. O wee! O wee!

De godin:
NOU JA, WAT MAAKT DAT NOU UIT, WANNEER JULLIE DAT ZELF ALLEMAAL ZO WILLEN?

De activist:
Maar niemand wil dat, iedereen haat het!

De godin: O, ZIT DAT ZO.
NOU, HOU ER DAN MEE OP.

En de stem maakte plaats voor reclame voor een nog sterkere soort aspirinetabletten.

 

Gebruikte literatuur:

Amstadt, Jakob, Die Frau bei den Germanen, Matriarchale Spuren in einer patriarchalen Gesellschaft, Stuttgart-Berlin-Köln, 1994.

Fromm, Erich, Liebe, Sexualität und Matriarchat, München, 1997

Ranke-Graves, Robert von, Die weisse Göttin, Hamburg, 1985, 7. Auflage 2002.

Röder, B., Hummel, J., Kunz, B., Göttinnendämmerung, Königsfurt, 2001.

Schmoekel, Reinhard, Die Indoeuropäer, Bergisch-Gladbach, 2004

Verhagen, Britta, Die uralten Götter Europas und ihr fortleben heute, Tübingen, 1999

Wesel, Uwe, Der Mythos vom Matriarchat, Frankfurt a.M., 1999

Wilson, R.A., Principia Discordia, Schnega, 1994

.
Beeld bovenaan:

Index voor seksespecifieke ongelijkheid, 2008, gepubliceerd in 2011. Gegevens van het UNDP. Geplaatst door Gromat. Vrijgegeven onder de Creative Commons-licentie Derder CC0 1.0, afzien van het auteursrecht. Publiek domein. bron: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Gender_Inequality_Index_2008.png?uselang=de