Soldaat van de Romeinse cavalerie. Een foto van David Friel. Vrijgegeven onder de Creative-Commons Naam-attributie licensie. Bron: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Roman_Cavalry_2.jpg?uselang=de

.

Direct na de speerworp zag Tjerrie, dat hij de voorste aanvaller had gemist, maar hij had de derde man daarachter in de schouder getroffen, die had het gevaar niet op tijd kunnen zien aankomen. Dat had ertoe bijgedragen, dat de aanval werd afgebroken. De handelaar Verus meende, dat hij de aanvoerder van de bende had verwond.
Op het moment, dat ze de overval hadden bemerkt, was hun bereden verkenner snel teruggereden naar Tungrorum, het dichtstbij gelegen Mansum dat ze vroeger op de dag gepasseerd hadden. Ze konden alleen maar hopen, dat zich daar een eenheid van de beneficiarier bevond. Wanneer er echter geen Romeinse wegenpolitie in de buurt was, zag het er slecht uit voor hem en de hele groep rondom de handelaar. De struikrovers hadden zich ondertussen opnieuw geformeerd en kwamen weer aanstormen. Toen hij bijna het wit in hun ogen kon zien, riep Verus: “Nu!” En ze wierpen hun laatste speren. Meerdere aanvallers in de eerste rij vielen en die daarachter renden, struikelden over de gevallenen en de speerschachten.
De aanval vertraagde daardoor, en toen beval Verus: “Aanvallen!“, en hij gaf zelf het voorbeeld. Ze stormden de vijand tegemoet en sloegen op de gestruikelden in, voordat deze weer opkrabbelen konden. Tjerrie ving een zwaardslag op met zijn schild en sloeg zelf terug. Kort weerklonk overal wapengekletter, dan trokken de aanvallers zich weer tussen de bomen terug. “Niet achtervolgen!“, klonk de stem van Verus. “Speren verzamelen en terug naar de wagens!“
Tjerrie greep snel twee speren en voegde zich dan bij de anderen om de twee wagens. Snel hielp hij een gewonde medestrijder een doek om zijn arm en hoofd te binden om het bloeden te stelpen. De situatie zag er niet goed uit, want de aanvallers waren nog steeds in de meerderheid. Toch had hij er geen spijt van, zijn tehuis in het gebied der Friezen te hebben verlaten en in dienst getreden te zijn bij de Keltische handelaar als reisgenoot en strijder. Verus betaalde goed, en de verzorging was veel beter als zijn stamhoofd dat zich thuis kon veroorloven.
Plotseling renden de vijanden uit hun dekking, maar nu geheel niet georganiseerd, maar in verschillende richtingen en met verschrikte uitroepen. Ze vielen niet aan, merkte Tjerrie nu, ze vluchtten. Dan zagen allen de reden daarvoor. Tussen de bomen kwam een groep bereden Romeinse soldaten tevoorschijn en joeg achter de vluchtenden aan. De centurio, die de troep aanvoerde, kwam met een paar van zijn mannen naar de twee wagens toe. Tjerrie zag dat de soldaten Bataven waren. Ook de verkenner van zijn groep was daarbij.
“Zo snel had ik uw hulp werkelijk niet verwacht“, zei Verus opgelucht tegen de aanvoerder.
“U had geluk“, antwoordde deze, “Wij hebben de nacht in Tungrorum doorgebracht en bevonden ons al de weg naar onze nieuwe standplaats.“ – “Ik betuig u mijn dank“, zei Verus, en beval zijn mannen enige
amforen wijn voor de soldaten te halen. – “Ik ken de stam van de aanvallers niet“, overlegde de centurio, “Kent u ze?“ Verus ontkende dat, maar toen Tjerrie de gevallenen nauwkeuriger bekeek, herkende hij twee gezichten en zei: “Deze twee zaten in de taveerne waar wij twee dagen geleden waren. Zij praalden er toen mee, dat ze vrije mannen waren, niet aan een stam gebonden.“
“Bandieten dus“, meende de soldaat. Verus knikte en vroeg de officier, terwijl hij nog een amfoor in de hand nam: “Wanneer ik me dit gebied juist herinner, dan komt u bij het heiligdom van Magusanus voorbij?“ – “Dat klopt“, was het antwoord. “Zou u dan alstublieft deze amfoor daar als dank voor de hulp willen afgeven?“ De Bataaf knikte instemmend en meende: “Daar doet u goed aan, hij heerst hier en men moet hem huldigen.“
Daarna verzamelden de beide groepen zich weer, de soldaten verdwenen al gauw uit het zicht en de handelaar trok met de zijnen verder. Terwijl hij naast de voorste wagen liep, meende Tjerrie tot zijn buurman: “Een goed gevecht is niet te versmaden, maar ik zou ook niet klagen, wanneer we zonder verdere gevechten Ganuenta bereiken. Voor de overtocht met het schip zullen we al onze krachten nodig hebben.“ Zijn kameraad sloeg hem grijnzend op de schouder en antwoordde vrolijk: “Jullie Friezen zijn toch allemaal als vissen in het water geboren, wat maak jij je dan zorgen om de zee!“

.

Uit het boek “Nehalennia, godin van de zeekust”, door GardenStone, p. 171, 172.

trennlinie1