Viðareiði op Viðoy, Faroe eilanden. Bron: http://commons.wikimedia.org, eigenaar: Erik Christensen, vrijgegeven oder de CCASA 3.0 unported licensie.

Lokka táttur (Loki’s Verhaal)

Een ballade afkomstig van de Faeröer

(eilanden)

.

Nederlandse vertaling:

GardenStone, 2005

.

tevi:

Hvat skal mær harpan
undir míni hond,
vil ikki frægur fylgja mær
á onnur lond.
Refrijn:

Wat is het nut van deze harp
Die ik in mijn hand heb,
Zal geen moedig man me volgen
Naar een ander land?
Bóndin og risin leikaðu leik,
risin vann og bóndin veik.
Een plattelander (1) en een reus [hielden] een wedstrijd,
De reus won en de plattelander verloor.
"Eg havi lúkað treytir mín',
nú vil eg hava sonin tín.
"Ik heb me aan [mijn deel] van de afspraak gehouden,
Nu wil ik je zoon hebben.
Eg vil hava sonin frá tær,
uttan tú goymir hann fyri mær."
Ik zal jouw zoon krijgen
Je zult hem niet voor me verbergen."
Bóndin heitir á sveinir tvá:
"Biðið Óðin fyri meg inngá.
De plattelander zei tegen zijn zoon:
"Vraag Odin (2) om zich ermee te bemoeien."
"Heitið á Óðin Asakong,
tá man goymslan gerðast long."
"Roep Odin, de Asa-koning op (3),
Die hem kan bewaken, lang kan verstoppen.
"Eg vildi, mín Óðin veri til,
vita hvussu goymslan ganga vil."
"Ik zou willen dat Odin hier snel was,
En wist waar hij de jongen zou verstoppen!"
Áður enn teir høvdu hálvtalað orð,
tá var Óðin inn fyri borð.
En voordat hij zijn woorden had gesproken,
Stond Odin daar voor de tafel.
"Hoyr tú Óðin, eg tali til tín,
tú skalt goyma sonin mín."
"Luister, gij Odin, Ik smeek U,
Dat U mijn zoon voor me wilt verstoppen!"
Óðin fór við sveini út,
brúður og bóndi bóru sút,
Odin ging weg met de jongen,
De plattelander en zijn vrouw treurig achterlatend.
Óðin biður vaksa brátt,
akurin upp eftir eini nátt.
Odin beval een veld vol gewas,
om hoog te groeien in nauwelijks een nacht,
Óðin biður vera svein,
mitt í akri aksið eitt.
Odin beval de jongen om een enkele
are te worden tussen het gewas.
Mitt í akri aksið eitt,
mitt í aksi, byggkorn eitt.
Een enkele are tussen al het gewas,
Een gerstekorrel tussen een are.
"Ver har í við onga pínu,
tá ið eg kalli, kom til mín!
"Blijf daar liggen, wanhoop niet,
Wanneer ik je roep, kom je naar me toe!
Ver har í við onga sút,
tá ið eg kalli, kom her út.
Blijf daar liggen, wees niet bang
Wanneer ik je roep, kom je er uit!"
Risin hevur hjarta hart sum horn,
ripar nú fangið fult við korn.
De reus heeft een hart zo hard als been,
Hij grijpt het koren bij bosjes met zijn arm.
Ripar nú korn í fang á sær,
og bitran brand í hendi bar.
Hij grijpt nu het koren dat hij ziet,
Een scherp zwaard in zijn hand houdend
Og bitran brand í hendi bar,
hann ætlar at høgga sveinin har.
En dat scherpe zwaard in zijn hand houden
Wil hij de jongen gaan neermaaien.
Tá var sveini komin til sút,
byggkorn kreyp úr neva út.
Toen was de jongen bang geworden,
Het graan ontworstelde zich uit zijn vuist.
Tá var sveini komin til pína,
Óðin kallar hann til sín.
Toen was de jongen overmand door pijn
En Odin riep hem tot zich.
Óðin fór við sveini heim,
bóndi og brúður fagna teim.
Odin ging met de jonger terug naar huis
De plattelander en zijn vrouw omhelsden hem.
"Her er ungi alvi tín,
nú er uppi goymslan mín."
"Hier heb ik jullie jonge zoon weer,
Nu hou ik op met hem te verstoppen."
Bóndin heitir á sveina tvá:
"biðið Hønir fyri meg inngá!"
De plattelander zei tegen zijn zoon:
"Hoop dat Hønir (4) voor me inspringt!
"Eg vildi, mín Hønir veri til,
vita, hvussu goymslan ganga vil."
"Ik zou willen dat Hønir hier snel was,
En wist waar de jongen te verstoppen!"
Áður enn teir høvdu hálvtalað orð,
tá var Hønir inn fyri borð.
Voordat hij uitgesproken was,
Stond Hønir daar voor de tafel.
"Hoyr tú Hønir, eg talið til tín,
tú skalt goyma sonin mín!"
Luister Hønir, Ik smeek U
Wilt U mijn zoon voor me verstoppen!"
Hønir fór við sveini út,
brúður og bóndi bóru sút.
Hønir verdween met de jongen,
De vrouw en de plattelander treurig achterlatend.
Hønir gongur á grønari grund,
svanir sjey teir flugu um sund.
Hønir ging over de groene grond,
Zeven zwanen vlogen over de rivierbedding.
Fyri eystan flugu svanir tveir,
niður hjá Hønir settust teir.
Naar het oosten vlogen de zwanen
En schittering waren ze naast Hønir.
Hønir biður nú vera svein,
mitt í knokki fjøður ein.
Hønir beval de jongen een enkele veer
Te worden in het hoofd van de zwaan.
"Ver har í við onga pínu,
tá ið eg kalli, kom til mín!
"Lig daar, pijnig jezelf niet,
Als ik je roep, kom je naar me toe!
Ver har í við onga sút,
tá ið eg kalli, kom her út!"
Lig daar, wees niet bang,
Wanneer ik je roep, kom je er uit!
Skrímslið loypur á grønari grund,
svanir sjey teir flugu um sund.
Het monster ging over de groene grond,
Zeven zwanen vlogen over de rivierbedding.
Risin fell tá á sítt knæ,
tann fremsta svanin fekk hann har.
De reus knielde op zijn knieen
En greep de voorste zwaan.
Tann fremsta svanin hann av beit
hálsin niður í herðar sleit.
Hij name en beet uit de voorste zwaan,
Zijn keel doorbijtend tot op de schouder.
Tá var sveini komin til sút,
fjøður smeyg úr kjafti út.
Toen werd de jongen bang,
Een veer glipte uit de greep van de reus.
Tá var sveini komi til pína,
Hønir kallaði hann til sín.
Toen was de jongen overmand door pijn,
En Hønir riep hem tot zich.
Hønir fór við sveini heim,
brúður og bóndi fagna teim.
Hønir ging met de jonger terug naar huis
De plattelander en zijn vrouw omhelsden hem.
"Her er ungi alvi tín,
nú er uppi goymsla mín."
"Hier heb ik jullie jonge zoon weer,
Nu hou ik op met hem verstoppen."
Bóndin heitir á sveinar tvá:
"biði Lokka fyri meg inngá!"
De plattelander zei tegen zijn zoon:
"Vraag Lokki om zich ermee te bemoeien."
"Eg vildi mín Lokki veri til,
vita, hvussu goymslan ganga vil!"
"Ik zou willen dat Lokki hier snel was,
En wist waar de jongen te verstoppen!"
Áður enn teir høvdu hálvtalað orð,
tá var Lokki inn fyri borð.
Voordat hij uitgesproken was,
Stond Lokki daar voor de tafel.
"Tú veitst einki av mínari neyð,
skrímslið ætlar mín sonar deyð.
"U kunt zich mijn wanhoop nauwelijks voorstellen,
Het monster wil mijn zoon dood hebben.
Hoyr tú Lokki, eg talið til tín,
tú skalt goyma sonin mín!
Luister Lokki, Ik smeek U
Verstop mijn zoon voor me!"
Goym hann væl, so sum tú kann,
lat ikki skrímslið fáa hann!"
Verstop hem zo goed als U kunt,
Zodat de jongen nooit gevangen genomen wordt!"
"Skal eg goyma sonin tín,
tá mást tú lúka treytir mín'!
"Als ik Uw zoon ga verstoppen,
Moet U doen wat ik van U vraag!
Tú skalt lata neystið gera,
meðan eg man burtur vera.
Je zult een boothuis bouwen,
Terwijl ik weg ben.
Víðan glugga sker tú á,
jarnkelvi legg tú har í hjá!"
U zult daarin een groot raam maken,
En het versperren met een ijzeren staaf!
Lokki fór við sveini út,
brúður og bóndi bóru sút.
Lokki verdween met de jongen,
De vrouw en de plattelander treurig achterlatend.
Lokki gongur eftir sandi,
sum skútan fleyt fyri landi.
Lokki verschijnt op het strand,
Met een roeiboot aan de kust.
Lokki rør á igsta (ytsta) klakk,
so er í fornum frøði sagt.
Lokki roeit naar verste visgronden
Waarover verhaald werd in sprookjes.
Lokki hevur ei fleiri orð,
ongul og stein hann varpar fyri borð.
Lokki spreekt geen enkel woord,
En werpt de haak en lood overboord.
Ongur og steinur við grunni vóð,
snarliga hyggin hann flundru dró.
Hij werpt de haak en lood overboord
En haalt al snel een heilbot binnen.
Dregur hann eina, dregur hann tvá,
hin triðja, hon var svørt at sjá.
Hij vist er een op, hij vist er twee op,
De derde had een zwartige glans.
Lokki biður nú vera svein,
mitt í rogni kornið eitt.
Lokki beveelt de jongen om te worden,
En eitje tussen het kuit van de heilbot.
"Ver har í við onga pínu,
tá ið eg kalli, kom til mín!
"Lig daar, pijnig jezelf niet,
Als ik je roep, kom je naar me toe!
Ver har í við onga sút,
tá ið eg kalli, kom her út!"
Lig daar, wees niet bang,
Wanneer ik je roep, kom je er uit!
Lokki rør nú aftur at landi,
risin stendur fyri honum á sandi.
Lokki roeit nu terug naar het land,
De reus wacht daar in het zand.
Risin mælti so orðum brátt:
"Lokki, hvar hevur tú verið í nátt?"
De reus vraagt hem terstond:
"Lokki, waar ben jij vannacht geweest?"
"Lítla man eg hava ró,
flakkað og farið um allan sjó."
"Weinig rust heb ik gehad,
Omdat ik zeilde en voer over de hele zee."
Risin oman sín jarnnakka skjýtur,
Lokki rópar, at illa brýtur.
De reus haast zich naar een ijzeren roeiboot,
Lokki schreeuwt: de golven zijn woest".
Lokki talar so fyri sær:
"risin, lat meg fylgja tær."
Lokki spreekt, en dit is wat hij zei:
"Reus, laat me met je meegaan."
Risin tók sær stýri í hand,
Lokki rør nú út frá land.
De reus nam het roer in zijn hand
En Lokki roeide weg van het land.
Lokki rør við langa leið,
ikki vil jarnnakkin ganga úr stað.
Lokki roeit een behoorlijke afstand,
Maar de ijzeren roeiboot wil niet wat hij wil.
Lokki svør við sína trú,
"eg kann betur stýra enn tú."
Lokki zweert de waarheid te vertellen,
"Ik kan beter sturen dan jij."
Risin setist til árar at ró,
jarnnakkin fleyg um allan sjó.
De reus neemt dan de roeispanen over,
De ijzeren roeiboot snelt over de zee.
Risin rør við langan favn,
næstum Lokka aftur í stavn.
De reus roeit een behoorlijke afstand,
En ook Lokki, achterin, ging mee.
Risin rør nú á ytsta klakk,
so er í fornum frøði sagt.
Lokki roeit naar verste visgronden
Waarover verhaald werd in sprookjes.
Risin hevur ei fleiri orð,
ongul og stein hann varpar fyri borð.
De reus zegt geen enkel woord,
En gooit de haak en lood overboord.
Ongul og steinur við grunni veður,
snarliga hyggin hann flundru dregur.
Hij gooit de haak en lood overboord
En haalt al snel een heilbot binnen.
Dregur hann eina, dregur hann tvá,
hin triðja hon var svørt at sjá.
Hij vist er een op, hij vist er twee op,
De derde had een zwartige glans.
Lokki svør á sína list:
"risin, gev mær henda fisk."
Lokki smeekt op zijn geloof,
"Reus, laat me die vis hebben"
Risin svaraði og segði nei:
"nei, mín Lokki, tú fært hann ei."
De reus antwoord en zegt nee,
"Nee, mijn Lokki, je zult hem niet krijgen."
Hann setti fisk millum kníja á sær,
taldi hvørt korn, í rogni var.
Hij legt de vis tussen zijn knieen,
En telde ieder ei in de kuit.
Taldi hvørt korn, í rogni var,
hann ætlaði fanga sveinin har.
Hij telde ieder ei in de kuit.
Hij hoopte de jongen te vangen.
Tá var sveini komin til sút,
kornið leyp úr neva út.
Toen werd de jongen bang,
En een ei sprong uit zijn hand.
Tá var sveini komin til pína,
Lokki kallar hann til sín.
Toen was de jongen overmand door pijn,
En Lokki riep hem tot zich.
"Set teg niður fyri aftan meg,
lat ikki risan síggja teg!
"Ga achter me zitten,
Laat de reus je niet zien.
Tú mást leypa so lættur á land,
ikki merkja spor í sand!"
Spring lichtvoetig op het strand,
Maak geen sporen in het zand!"
Risin rør so aftur til land,
beint ímóti hvítan sand.
De reus roeit dan terug naar het land.
Rechtstreeks in het witte zand.
Risin rør at landi tá,
Lokki snýr jarnnakka frá.
De reus roeit richting land,
Lokki keert de ijzeren roeiboot.
Risin skjýtur afturstavn á land,
sveinur loypur so lættur á land.
De reus ramt de achtersteven aan de grond,
De jongen springt lichtvoetig aan land.
Risin sær seg upp á land,
sveinur stendur fyri honum á sand.
De reus keek aandachtig naar het land,
Daar stond de jongen al in het zand.
Sveinur leyp so lættur á land,
ikki merkti spor í sand.
De jongen sprong zo lichtvoetig aan land,
Dat hij geen sporen maakte in het zand.
Risin leyp so tungur á land,
upp til kníja, niður í sand.
De reus sprong zwaarlijvig aan land,
En zonk kniediep in het zand.
Sveinur leyp sum hann kundi best,
leyp ígjøgnum faðirs neyst.
De jongen snelde weg zo goed als hij kon,
Snelde rechtstreeks naar zijn vaders boothuis.
Hann leyp ígjøgnum faðirs neyst,
risin eftir við fullgott treyst.
Hij snelde door zijn vaders boothuis,
De reus achtervolgde hem.
Risin stóð í glugga fastur,
jarnkelvið í heysi brast.
De reus kwam vast te zitten in het raam,
Knalde met zijn hoofd tegen de ijzeren staaf.
Lokki var tá ikki seinur,
hjó av risanum annað beinið.
Loki aarzelde niet,
Kapte een van de scheenbenen van de reus af.
Risin heldur at tí gaman,
sárið grøddi snart til saman.
De reus vond het echter maar grappig,
De wond genas helemaal.
Lokki var tá ikki seinur,
hjó av risanum hitt annað beinið.
Loki aarzelde niet,
Hij kapte het andere scheenbeen van de reus af.
Hjó av honum, hitt annað bein,
kastaði millum stokk og stein.
Hij kapte het andere scheenbeen af.
En gooide het tussen een stok en een steen.
Sveinur hyggur á við gaman,
hvussu risin leyp bæði sundur og saman.
De jongen vond het maar grappig,
Om te zien dat de reus in stukken werd gekapt.
Lokki fór við sveini heim,
brúður og bóndi fagna teim.
Lokki reisde huiswaarts met de jongen,
De vrouw en de plattelander omhelsden hem.
"Her er ungi alvi tín,
nú er uppi goymslan mín.
"Hier heb ik die jonge zoon van jullie,
Nu ben ik klaar met hem te verstoppen.
Eg havi hildið trú fyri vist,
nú hevur risin lívið mist."
k heb mijn woord gehouden,
Nu de reus zijn leven heeft verloren."
- - - - - - - - - - - - - - -- - - - - - - - - - - - - - -
(H. C. Lyngbye, Færoiske
Qvæðer om Sjurð
Fovnisbane og hans Æt,,
1822.)

Voetnoten:

(1). plattelander— Far bónði is hetzelfde woord als in oud-IJslands. Ik heb het woord ‘plattelander’ gebruikt omdat niet iedere boer een plattelander is en omgekeerd. Guerber’s korte verhaal “Skrymsli en het plattelands kind”, wat eigenlijk een opnieuw verhaalde versie is van “Loki’s verhaal”). Anker Eli Petersen gebruikt “boer” in zijn vertaling. Het woord is soms ook vertaald als “lijfeigene”, “vrije man” of “vrije boer”.

(2). Odin— In Faroese Óðin wordt uitgesproken als “oh·vin”, de fonetische variant Ouvin (gen. Ouvans, acc. Ouvan) wordt gebruikt door de vroege balladenverzamelaar H.C. Lyngbye, en is ook genoemd door Grimm in his Teutonic Mythology.

(3). Asa-Koning,— i.e. de koning van de Æsir godheden.

(4) Hønir— of Hoenir is in één van de twee Oudnoorse scheppingsverhalen een god die samen met Odin en Lodur de eerste mensen schiep, Ask and Embla (een man en een vrouw, wier namen “es” en “olm” betekenen).

trennlinie1