Gunnars slagr

(Gunnar’s [harp]-slag)

geïnterpreteerd als

Gunnar’s Lied

 

 

Naast elkaar het Oudnoors en de vertaling.
Nederlandse vertaling GardenStone, 2014. © Copyright GardenStone.

 

Bij deze tamelijk vrije vertaling werd mede zwaar geleund op een bestaande Engelse en een Duitse vertaling.

 

Dit gedicht, dat veel overeenkomst vertoont de de liederen uit de Poëtische Edda, werd in de 18e eeuw bedacht en geschreven door Gunnar Pálsson (1714-1791), een in Zweden geboren IJslandse priester, leraar, wetenschapper en dichter. Eèn van bezigheden Pálsson’s bezigheden was de studie van de geschiedenis van IJsland en ook bezat hij goede kennis van de oude IJslandse poëzie. Voor zijn genoegen schreef hij verschillende gedichten in de stijl van de skalden wiens gedichten we uit de Poëtische Edda kennen. Zijn gedicht ‘Gunnar slagr’ leek zo sterk op die oude liederen, dat einige tijd lang velen meenden, dat dit gedicht een echt verloren en weer teruggevonden Edda gedicht was en het werd zelfs aan enige Edda uitgaven toegevoegd.
Pálsson zelf heeft nooit beweerd dat zijn gedicht zo oud was en evenmin heeft hij geprobeerd te verheimelijken, dat het gedicht zijn creatie was.
Het is heel goed mogelijk, dat Pálsson als titel voor zijn gedicht de naam van een mogelijk ander, verloren gegaan gedicht uit de 14e eeuw koos. Dat vermoeden is gebaseerd op een passage uit de ‘Norna-Gestr þáttur’, een saga uit de 14e eeuw. Aan het einde van hoofdstuk 23 daaruit staat:

Tekr Gestr hörpu sína ok slær vel ok lengi um kveldit, svá at öllum þykkir unað í á at heyra, ok slær þó Gunnarsslag bezt.

Vertaald:

Gest nam zijn harp en speelde daarop zo goed tot ver in de avond, dat het iedereen die het hoorde verrukt was, en hij speelde de Gunnarslag het allerbest.

Pálsson’s gedicht behandelt een thema uit de Noordse Nibelungen Saga, die ook in verschillende liederen uit de Poëtische Edda behandeld wordt. In dit gedicht beveelt de Hunnenkoning Attila, dat koning Gunnar in een tuin vol met slangen moet worden gebracht, met de bedoeling, dat deze aan de giftige slangenbeten zal sterven. Maar Gunnar slaagt erin om, op één na, alle slangen in slaap te brengen door met zijn tenen op een harp te spelen. Maar de slang die wakker bleef, beet hem dodelijk in het hart – die slang was Attila’s moeder, die zichzelf in een slang had veranderd.

.

Ár var þat Gunnarr Gördiz at deyia
Giúka sonr At Grábaks sölvm
Fætur voro lavsir Á fylkis niþ
En hendvr heptar Havrþom fiötri.

Fengin var harpa Fólk-diörfvm gram.
Íþrótt sýndi Yl-qvisto om hrærþi.
Steig haglega Havrpv-strengi.
Vara sú list leikin Nema lofþúngs kvndi.

Saúng þá Gunnarr Sva mælandi.
Feck mál harpa Sem maþr væri.
En eigi sætara Þó svanr væri.
Glvmdi orma salr Viþ gvllnom strengiom.

Mína veit ek systor Manni verst gefna
Ok Niflúnga Níþíngi festa.
Heim bauþ Atli Haugna ok Gunnari
Mágvm sínum En myrþi báþa.

Víg lét þá Fyri veizlo taka
Ok orrosto Fyri öl-teiti.
Þat man æ vppi Meþan avld lifir.
Léka sva viþ mága Mangi forþom.

Hví þú sva Atli Heiptir rækir.
Siálf olli Brynhildur Sinom dauþa
Ok SigurÞar Sárom bana.
Hví vildir Gudrúno Grætta láta.

Sagdi hvginn forþom Af hám meiþi
Ossar ófarir At mavg dauþan.
Sagði mér Brynhildur Bvþla dóttir
Hve Atli mvndi Oss vm væla.

Gat þess ok Glaumvör Er viþ gistom bæþi
Hinnsta sinni Í hvílv einni.
Minni varo málo Megnir dravmar.
Farattv Gunnarr Flár er þer nú Atli.

Davr sá ek þínom Dreyra roþinn
Gálga gavrvan Giúka syni.
Hvgda ek þér dísir Heimboþ gavra.
Mano yckr bræþrvm Búin vélræþi.

Qvaþ oc Kostbera. Qven var hon Högna.
Rúnar villt ristnar Ok rádna dravma.
Snotvrt var hiarta Í siklínga briósti.
Hvargi knátti hræþaz Harþan dauþa.

Oss hafa nornir Aldr vm lagit,
Örfvm Giuka At ÓÞins vild.
Má viþ avrlögum Engi siá
Né heillvm horfinn Hvgom treysta.

Hlær mik þat Atli At þú hefir eigi
Hrínga rauþa Sem HreiÞmarr átti
Einn veit ek hvar fé þat Fólgit liggr
Síþan þér Högna Til hiarta skáro.

Hlær mik þat Atli At þér húna kindir
Hlægianda Havgna Til hiarta scárvþ.
Hnipnaþit Hnuflúngi. Viþ holvndo
Ne sér vid brá Sáran davþa.

Hlær mik þat Atli at þú hefir látna
Menn þína marga Er mætstir váro
For ossom sverþom Áþr svellta fengir.
Hefir oc mær systir Meiddan þinn bróþvr.

Skal-at enn Gunnarr Æþrv mæla
Giúka sonr At Gravitnis bóli.
Ne hryggr koma til Heria-favþvr
Hefir fyrr Bvþlúngr Bavþvi vaniz.

Fyrr skal mér Góinn Grafa til hiatta
Ok Níþ-havggr Nýro siúga.
Linur ok Láng-bakr Lifror slíta.
Enn ek minni hafni Hvgar-prýþi.

Þess man Gudrún Grálega reka
Er ockr lét Atli svikna.
Hon man þer konúngi Hiörtv géfa
Húna þinna Heit at qveld-verþi.

Ok blandinn miöþ Blóþi þeirra
Dreckr þú or skálom Skarar-fialla
Sú mvn þik hvgraun Harþast bíta
Er þér Gudrún bregdr Glæpvm slíkvm.

Skömm man þín æfi At skiòldúnga liþna.
Fær þú illan enda Af orvm sif-spellvm.
Er þér slík maklig Af vmsýslan vorrar
Systvr sár-neyddrar Svik þér at gialda.

Man þik Gudrún Geiri leggia
Ok Niflúnger Nærri standa
Leika man þin havll Í loga rauþom
Síþan mantv á Náströndvm Níþ-havggvi gefinn.

Sofinn er nú Grábakr Ok Grafvitnir
Góinn ok Móinn Ok Graf-völlvþr
Ofnir ok Svafnir Eitvr-fánir
Naþr ok Niþ-havggr Ok nöþror allar.
Hríngr, Höggvarþr Fyri hörpuslætti. .

Ein vakir vppi Atla móþir
Hefir sú mik hol-grafit At hiarta-rótvm.
Lifvr vm sýgr Ok lúngv slítr.
Erat lengvr líft Lofþúngs kvndi.

Hættv nú harpa Héþan mvn ek líþa
Ok Val-havllo Víþa byggia
Drecka meþ Ásom Dýrar veigar
Seþiaz Særimni At svmblvm ÓÞins.

Nú er Gvnnars slagr Gavrva qveþinn.
Hef ek havldvm skémt Hinnsta sinni.
Fárr man enn síþan Fylkir il-qvistvm.
Hlióþ-fagra svegia Havrpo-strengi
Lang geleden was Gunnar, Giuki's zoon,
gedoemd te sterven in de zaal van Grabak.
De voeten niet, maar de handen van deze
koningszoon waren stevig vastgebonden.

Men gaf deze vorst der krijgers een harp,
die hij meesterlijk met zijn tenen speelde,
zulk lieflijke tonen kon niemand anders
dan deze koningszoon spelen.

Gunnar zong met de snaren, de harp werd
een menselijke stem; zo'n lieflijke melodie
weerklonk, gelijk een zwaan; de gouden
snaren weerklonken door de slangenzaal.

Ik weet, dat mijn zuster was gehuwd met
de slechtste der mensen, die het verbond
der Niflungen brak. Attila nodigde Högni
en Gunnar uit, en doodde deze zwagers.

Geen feest, maar een moordpartij
en geen heerlijke maaltijd maar strijd.
In geen mensenleven tevoren werden
verwanten dermate vals bedrogen.

Waarom Atli, uitte je zo je toorn?
Brynhild veroorzaakte haar eigen dood
en die van Sigurd. Waarom wil je daarom
Gudrun zo bitter laten wenen?

De raaf riep het al uit zijn hoge boom,
dat gevaar ons dreigde vanwege de dood
van onze zwager. En Brynhild, Budli's
dochter zei, dat Atli ons wilde verraden.

Mijn Glaumvör zei me, toen we voor de
laatste keer het bed deelden, dat ze
onheil had gedroomd: Ga niet Gunnar,
Atli heeft valsheid tegen jullie voor.

Ik zag een speer, rood van je bloed, en
een galg bereid voor Giuki's zoon: de
Disen bereidden je een feest; Ga niet heen
in vertrouwen, men wil jullie bedriegen.

Ook Högni's vrouw Kostbera sprak van
dreigende runen en dromen vol onheil.
Maar de moedige harten van de helden,
kenden geen angst voor een wrede dood.

De Nornen hebben voor Giuki's nazaten,
de levenstijd bepaald, naar Odin's wil;
tegen het lot mag je je niet verzetten,
noch zonder fortuin op moed vertrouwen.

Atli, ik lach omdat jij niet de roodgouden
ringen bezit die eens Reidmar bezat.
Alleen ik weet nog, waar die schat ligt,
sedert jij Högni het hart doorstak.

Atli, ik lach, toen jullie Hunnen de
lachende Högni's hart doorboorden, gaf
die Niflung geen krimp bij de diepe wond,
en geen doodspijn toonde zijn gezicht.

Atli, ik lach omdat je veel van je beste
mannen verloor die onder onze zwaarden
vielen voordat jij zegevierde. En onze
edele zuster verminkte jouw broer.

Gunnar, Giuki's zoon, toont geen angst
in Grafvitnir's verblijf; en gaat niet met
weerzin naar de hoogste leider: de prins is
al lang gewend te lijden.

Aleer doorboort Goin mijn hart, zuigt
Niddhögg mijn nieren op en rukken Linn
en Langbak mijn lever uit, voordat mjn
hart zijn standvastigheid verliest.

Gudrun zal het grimmig wreken dat Atli
ons zo bedroog; zij zal voor jou, heerser,
de harten van je zonen voor het
avondmaal laten serveren.

Jij zult hun bloed drinken uit schalen die
van hun schedels zijn gemaakt. Maar het
meest wordt je gekweld, wanneer Gudrun
jouw je misdaden in je aangezicht verwijt.

De prinsen zul je niet lang overleven;
kwaalvol je einde door je ontrouw aan je
verwanten: het is passend, dat onze zuster
noodgedwongen je verraad zal vergelden.

Gudrun's speer zal je hart doorboren,
en de Niflung zal haar ondersteunen; rood
vuur zal door je paleis razen en jij wordt
in Naströnd aan Nidhögg voorgeworpen.

Grabak slaapt nu, ook Grafvitnir, Góin en
Móin, en Grafvöllud, Ofnir en Svafnir, en
met hun blinked vergif Nad en Nidhögg,
alle slangen ook Hringen Höggvard,
slapen nu door het geluid van de harp.

Alleen Atli's moeder is wakker, en die bijt
me diep in mijn hart, zuigt mij lever op en
trekt mijn longen eruit. Dat beëindigt het
leven van de koningszoon.

Zwijg nu, mijn harp! Ik vertrek naar het
uitgestrekte Walhalla, waar ik met de Æsir
zal drinken uit kostbare bekers, en zal op
Odin's feest van Sæhrimnir eten.

Gunnar's lied is gezongen; een laatste
keer heb ik mensen verrukking gebracht.
Geen vorst zal ooit nog met zijn tenen
lieflijke tonen aan de harp ontlokken.

trennlinie1