Illustratie door GardenStone

Er is al heel lang en vaak gezocht naar bewijzen voor het bestaan van één of meerdere goden. Hele boeken zijn daarover geschreven, sommige op zo’n ijl hoog theoretisch niveau, dat ze voor praktisch iedereen volledig onbegrijpelijk zijn. Navolgend wordt geprobeerd dat te vermijden om het voor gewone lezers ook leesbaar te maken.

Vooraf

Met het begrip ‘bewijs’ worden over het algemeen feiten of verklaringen bedoeld, die onweerlegbaar zijn. Ingesloten daarbij hoort ook de overtuigende conclusie volgens de regels van het denken, respectievelijk de logica die daaraan ten grondslag ligt.

Op dir moment al zou men zich af kunnen vragen, of men zijn geloof aan god of goden door onweerlegbare feiten kan staven.

Confucius:
Het onbekende met behulp van het bekende te verklaren is een logische methode; het bekende te verklaren met behulp van het onbekende is een vorm van theologische waanzin.

In de „Germania“, geschreven en gepubliceerd door de Romeinse geleerde Tacitus aan het einde van de eerste eeuw na de tijdwende, worden enige namen van goden genoemd aan die, in elk geval naar de mening van de schrijver, de desbetreffende Germaanse volken geloofden. In de Poëtische en de Proza Edda en in veel andere mythen en sagen worden eveneens veel godennamen genoemd, – sommige vaker, andere slechts één keer – , en ook daarbij gaat het om goden waarvan bepaalde Germanen in het bestaan ervan geloofden en die ook een groot gedeelte van het dagelijkse leven bepaalden; dat nemen we in elk geval aan. Maar bestonden of bestaan enige ervan of al die goden ook werkelijk?
De bronnen die we erover hebben bevatten daarvoor geen bewijzen. Het is daarom verbazingwekkend hoevaak alleen het voorkomen van zulke namen in die bronnen als bewijs voor het bestaan ervan wordt gezien – als godsbewijs.

Wanneer bepaalde goden vaker in verschillende bronnen worden genoemd, dan kan dat betekenen, dat ze in bepaalde gebieden van het leven voor bepaalde groepen mensen destijds als belangrijk werden gezien.
Wij hebben tegenwoordig echter een heel andere maatschappij als in die vroegere tijden. Voor ons zijn minstens ten dele andere levensgebieden belangrijker dan vroeger; we hebben zelfs zulke gebieden die waarschijnlijk ten tijde van de Germaanse stammen en de Vikingers nog helemaal niet bestonden, onder mogelijk alleen in een rudimentaire vorm. De goden die heersten in de facetten van het leven die destijds belangrijk waren, werden alleen al daarom vaker in de oude bronnen genoemd, goden wiens invloedssfeer in levensgebieden die destijds als minder belangrijk werden geacht, werden daarom vermoedelijk ook veel minder vaak genoemd, of misschien wel helemaal niet. Logisch bekeken zou dat kunnen betekenen, dat we tegenwoordig andere goden zouden moeten hebben of de invloedssferen van enige goden aan onze tijd aanpassen.

Enige van de namen van de Germaanse goden zijn via verschillende perioden in de tijd terug te volgen; via etymologische afleidingen wordt veelal aangenomen, dat enige van die goden onder andere namen met zo ongeveer dezelfde betekenis bij meerdere volken voorkomen. Of het daarbij dan inderdaad feitelijk om dezelfde godheid gaat, kan niet echt worden vastgesteld. Het is mogelijk, maar het blijft niet meer dan een aanname. En wanneer men de logica achter zulke aannames accepteert, dan wordt zoiets vaak zelfs als een feit gezien. Desalniettemin, uiteindelijk blijven dat echter veronderstellingen; dat wordt gewoonlijk vergeten of niet een gerealiseerd.

Er komen ook namen voor waarvan we met de ons beschikbare kennis geen herleidingen kunnen vaststellen. Vaak weten we daarbij niet eens met zekerheid, of het bij zo’n naam om een godheid gaat en zo ja, welke invloedssfeer deze heeft. Niettegenstaande dat, daarom zo’n godheid dan maar in het rijk van de fantasie te verschuiven zou te eenvoudig zijn.
Want, wanneer iemand zichzelf wijdt aan zo’n godheid, dan kan het toch inderdaad wel een god of godin zijn, tenminste, gezien vanuit de opvatting, dat mensen zo’n godheid heel persoonlijk ervaren en ervan overtuigd is erdoor te zijn geroepen.
Wanneer we zon standpunt niet accepteren en iemand anders zijn of haar god of godin betwisten, het bestaan ervan ontzeggen, dan kunnen we beter agnostici worden (agnosticisme: de zienswijze, dat religieuze ideeën en verschijningen niet mogelijk zijn omdat ze wetenschappelijk niet kunnen worden bewezen); uiteindelijk kan men het daadwerkelijke bestaan van welke godheid dan ook met argumenten weerleggen, zelfs met goede argumenten wanneer de daaraan ten gronde liggende hypothesen worden geaccepteerd.

Mythologische bronnen bieden geen bewijzen voor het bestaan van goden. En wanneer goden in zulke bronnen niet worden genoemd, hoeft het evenmin te betekenen, dat ze daarom niet bestaan.
Die zienswijze hebben theologen van veel religies ook begrepen en geaccepteerd, en ze zoeken daarom naar godsbewijzen in theoretische gedachtenconstructies.
Daarvan bestaan er diverse, bv. met betrekking tot de vraag naar het bestaan van één of meerdere hogere wezens die onze wereld met alles erop en eraan sturen, die bestemmen wat goed en wat kwaad is en een verklaring bieden voor de zin van ons bestaan. Daarbij hoort dan ook de vraag naar de bedoelingen die zulke ‘wezens’ met ons hebben.

Er zijn al diverse pogingen gedaan de existentie op die manier te bewijzen; die berusten dus niet op mythologische bronnen zoals Bijbel, Edda, e.d. En over hoe geloofwaardig zulke bronnen zijn, maar op ‘mentale bouwsels, op menselijke logica, op filosofische conclusies, op theoretische overwegingen, op een rangschikking van niet verifieerbare indicaties.

Het bestaan van god of goden werd tot enige eeuwen geleden niet serieus in twijfel getrokken. De theoretische gedachten erover dienden in die tijd alleen maar de kern van de bestaande overtuiging. Pas sinds het tijdperk van de verlichting en de daarna langzaam toenemende secularisatie (verwereldlijking) van onze maatschappij dook de vraag naar ‘godsbewijzen’ steeds vaker op en werd zelfs binnen het Christendom een zelfstandige filosofische tak van wetenschap.

Tot op de dag van vandaag en niet alleen onder aanhangers van de openbaringsreligies, maar ook onder aanhangers van Asatru en andere heidense religies bestaat zo’n fundamentele overtuiging met betrekking tot het bestaan van de god of goden die door hen worden vereerd; en ook zij zoeken alleen naar ‘logische’ verklaringen die het verlangen naar concrete, algemeen-geldige bewijzen voor de eigen geloofsovertuiging ondersteunen.
Dat is op zichzelf zeker geen negatief streven, maar wanneer het ontaardt in het oordelen over andere religies en deze te zien als minder geloofwaardig, als speculatief of zelfs als niet-bestaand, dan begeeft men zich op dwaalwegen en kan leiden tot gestoord gedrag.

Religie is voor een gelovig mens nooit abstract. Voor heidenen bv., bestaan de goden die ze vereren net zo zeker als dingen die ze met hun zintuigen kunnen waarnemen – ook de mythen die bij hun geloof horen, vallen onder die zekerheid. Maar wanneer iemand zijn geloof aan een bepaalde godheid daaraan ophangt, hoe vaak deze wordt genoemd in mythen, sagen, e.d., dan ontbreekt er blijkbaar wel iets aan de vastheid van zijn of haar geloofsovertuiging.

Hoe dan ook, volgens de huidige wetenschappelijke standaards is de existentie van één of meerdere goden niet bewijsbaar, het draait tenslotte altijd weer uit op ‘geloven’, op het accepteren van een premisse. Dat laatste kan bv. De vaste veronderstelling zijn, dat er een hogere macht moet bestaan aan wie wij ons bestaan te danken hebben, iets ‘absoluuts’, iets almachtigs, uit onbegrijpelijks, iets onvoorwaardelijk-noodzakelijks, in tegenstelling tot onszelf als niet onvoorwaardelijke noodzakelijkheid.

Voor de wiskundigen onder ‘ons’ … er bestaat ook nog zoiets als het zogenaamde ‘mathematische godsbewijs’:

“Een god of godin is het supremum en Infinitum van een functie binnen een logische reeks van functies, of deze is algemeen. Het respectievelijke idee van een religie wordt daarbij in aanmerking genomen. Zo is bv. een dualistische God (ambivalentie) hetzij Infinitum of supremum. De mens vertegenwoordigt daarbinnen een gekwalificeerde waarde in een reeks.”

Nou, is dat even lekker begrijpelijk?

Om iets te kunnen bewijzen zijn verklaringen noodzakelijk. Verklaren houdt hier echter in iets onbekends tot iets bekends te herleiden. Daarvoor is de keten bestaande uit ‘herkennen – verklaren – begrijpen’ onvoorwaardelijk noodzakelijk.
Zonder ‘herkennen’ kan niet worden verklaard en omdat goden niet wetenschappelijk herkenbaar zijn, kan men ze ook niet verklaren en begrijpen. Dat zorgt ervoor, dat elk bewijs op dit gebied speculatief is … en het draait weer uit op accepteren en ‘geloven’.

Wanneer we niet een stelsel van wetgevende maatregelen hadden, dan is het nog maar de vraag, of we onze morele waarden en normen zouden kunnen handhaven zonder het geloof in een toeziende of zelfs ingrijpende godheid; wanneer ook niet het geloof zou bestaan, dat men na de dood op een of andere manier in de nabijheid van de respectievelijke godheid komt. Het is heel goed mogelijk, dat zonder zulk geloof, zonder zo’n religie, de bepalende, levensnoodzakelijke stimulans voor ons zedelijk gedrag zou wegvallen.

Er bestaan genoeg argumenten voor het bestaan van een godheid en ook voor meerdere goden en godinnen, maar het ontbreekt geheel aan bewijzen.

Het is alleen al daarom ook geheel absurd het eigen geloof als bewezen aan te nemen en andere religies het bestaan te ontzeggen. Evenzo onzinnig is de bewering onder heidenen, dat het eigen geloof logischer is, een beter fundament heeft omdat de godheid (of godheden) ervan in oude documenten of geschriften vaker voorkomt. Evenzo stompzinnig is het om de existentie van goden die anderen vereren te betwijfelen omdat de naam ervan nauwelijks of niet in oude bronnen voorkomt; het bewijst in het geheel niet, dat zo’n godheid niet bestaat, mogelijk onder een andere naam. Daarbij kan men de vraag stellen, waarom zo’n godheid wel of niet onder zo’n andere naam aanspreekbaar is.
Het zou mogelijk kunnen zijn, dat een godheid helemaal niet meer reageert wanneer hij of zij met een oude naam wordt aangesproken … wie zijn hond Wodan of Balder noemt, de poes Freyja, de kanarie Gerda, de computer Forseti, zichzelf een pseudoniem als bv. Thor, Frigga, Njörun, e.d. aanmeet, of zijn of haar kinderen naar goden vernoemt, zou niet vreemd op moeten kijken, wanneer de godheid met zo’n naam niet meer reageert bij een aanroeping.

Jaren geleden schreef ik een boek waarin Germaanse goden werden beschreven met mogelijke erbij passende correspondenties. Sommige zien delen ervan als heel speculatief en wijzen dat ook af. Daarbij vergeten ze, dat zijzelf zich beroepen op bronnen die eveneens speculatief zijn, bronnen waarvan over grote delen van de inhoud al eeuwenlang door deskundigen kritisch wordt gediscuteerd – waarover met kleinere en grotere tussenperioden nieuwe verklaringen worden gepresenteerd, die door de bedenkers ervan worden opgewaardeerd, door de bestaande uitleg te verwerpen en belachelijk te maken.

Degene die zichzelf ziet als aanhanger van een natuurreligie, heeft het in zijn overwegend christelijke omgeving vaak al niet gemakkelijk zijn of haar geloof te beleven, omdat veel christenen de eigen religie als exclusief juist en waar claimen. Wanneer zo’n heidens iemand dan ook nog binnen heidense kringen aangevallen, bekritiseerd of belachelijk wordt gemaakt omdat hij of zij goden vereert die voor die anderen onbekend zijn, dan wijst dat ziekte- of decadentie-verschijnselen van die gemeenschap.

Veel positiever en intermenselijker is het, om elkaars religie als een positief verschijnsel te zien, als waard en waardig en zo gelijkwaardig met elkaar om te gaan, om het even of men God, Allah, Wodan / Odin, Demeter, Frigga, Buddha, Brighid, Cernunnos, Lytir, enz. vereert – een uitwisseling met een grondhouding van respect, gelijkwaardigheid en vrede brengt en houdt ons beter samen dan welk conflict dan ook.
Dan ook kunnen we de feitelijk belachelijke vraag naar wetenschappelijke bewijzen voor het bestaan van welke godheid dan ook achter ons laten – in elk geval wanneer het religie of geloofsovertuiging betreft.

 

trennlinie1