Oude Belgische Schoolplaat: Nederzetting uit Romeinse tijd. Foto en fotobewerking GardenStone.

.

Met een bedachtzame uitdrukking op hun gezichten verlieten Dagomar en Sibald de ambtswoning van de legaat Ignatus. Daar hadden ze de opdracht aangenomen om met hun volgelingen hun kwartier, dat op ongeveer twee uur rijden van Colonia Claudia Ara Agrippinensium lag, te verlaten, om ver naar het westen te trekken, tot aan de kust van het Mare Britannia. Elk van hen moest naar een eigen toegewezen deel van de kust dicht bij de delta van de Scaldis gaan en zich daar vestigen. Daarbij hadden ze twee opgaven: ze moesten aanvallen vanuit de zee afweren en beiden moesten ze een gunstige plaats uitzoeken om er een haven te bouwen, zodat oorlogsschepen konden helpen bij de verdediging van de kust.
Bij de toelichting van de details was het hun maar al te duidelijk geworden dat dit geen gevechtsactie was zoals de vele vorige, waarvan ze steeds weer terugkeerden; dit was een opdracht van lange duur. Eerst waren ze er niet gelukkig over, omdat het centrum van de handel en de cultuur hier was, langs de Rhenus, maar de legaat had rijkelijk concessies gedaan. Wat aan de krijgertroepen anders niet toegestaan was, gezinnen te stichten, werd nu zelfs aanbevolen. Ignatus had beloofd dat aan de legerweg naar het Westen met voorrang gewerkt zou worden, en via deze weg zouden er rijkelijk goederen naar hen toe komen. Bovendien mochten ze het hen toegewezen gebied duurzaam voor hun families in bezit nemen.
“Nou ja“, meende Sibald, terwijl hij zijn paard besteeg, “het moet maar zo zijn, al zullen mijn mannen eerst wel luid morren. Ik ga daarom eerst de andere krijgsheren opzoeken en ze ertoe brengen, geen van mijn mannen op te nemen wanneer die daarom vragen. Daarna zal ik dan mijn mannen de vrije keus laten, mee te gaan of zich bij een andere aanvoerder aan te sluiten.“ En hij grijnsde daarbij wolfachtig. Dagomar grijnsde zelfs nog breder terug en meende: “Jij denkt als een geboren Romein. Spreek dan met hen voor onze beide troepen, dan doe ik het net zo.“ Ze wenkten elkaar ten afscheid toe en begaven zich elk naar hun eigen mannen.
Drie manen later had Sibald zijn troep op weg gebracht. Het had toch veel tijd gekost om alles te organiseren. Meer dan de helft van zijn mannen was intussen al getrouwd; nadat ze de nieuwe woningen zouden hebben gebouwd, mochten de vrouwen nakomen. Met de tribuun Marcellus, zijn directe superieur, was afgesproken, dat over drie manen de vrouwen en meerdere wagens met noodzakelijke goederen, begeleid door een sterk escorte, zouden volgen. Een kleine eenheid Romeinse soldaten uit het legioen van Marcellus zou dan blijven en zorg dragen voor snelle contacten met de legerleiding.
Ze hadden hun woningen aan nieuw aangekomen legioensafdelingen kunnen overdoen en daarvoor in ruil veel nuttige zaken gekregen, zoals paarden, ossen, gereedschap en veel gebruiksvoorwerpen.
Hij moest nog steeds glimlachen toen hij eraan dacht, hoe het gezicht van zijn plaatsvervanger eruitzag toen deze van de opdracht hoorde. Hij had luid geprotesteerd, langer dan twee manen had hij alle beschikbare tijd gebruikt om aan zijn nieuwe woning te werken, gezwoegd en geploeterd had hij om het grootste en mooiste huis in de omgeving te hebben, en dat alles zou nu tevergeefs zijn geweest? Woedend was hij naar een andere krijgsheer toegegaan en had erom gevraagd hem op te nemen, want hij wilde zijn huis niet zo eenvoudig opgeven. Maar, zoals verwacht, had de krijgsheer hem gezegd, dat er op het moment geen plaats voor hem was, maar hij kon het over vier of vijf manen weer proberen, misschien waren er dan weer plaatsen vrij. Andere mannen hadden soortgelijke ervaringen. En toen dan bekend werd, dat hun kwartieren aan een nieuw legioen ter beschikking zouden worden gesteld, hadden ze het opgegeven en bij de voorbereidingen hard meegewerkt.
Enige dagen voor hun vertrek hadden Sibald en Dagomar de acht andere krijgsheren uitgenodigd voor een afscheidsdrinkgelag en ze hadden veel plezier gehad aan de verhalen over de vergeefse opnameverzoeken.
Voortrijdend op zijn paard waren zijn gedachten nog bij al deze voorbije gebeurtenissen en dus schrok hij op, toen de Romeinse bouwmeester Ganuentus, die zijn troepen begeleidde en de bouw van de haveninrichtingen zou gaan leiden, hem onverwachts aansprak:
“Centurio Sibald, hoe gaat u uw nieuwe standplaats noemen?“ – “Dat weet ik nog niet“, antwoordde hij, “Is dat dan zo belangrijk?“ – “Ik moet de legaat regelmatig over de vooruitgang berichten“, antwoordde Ganuentus, “En dan zou een naam wel een goede indruk maken.“
“Omdat u dat allemaal moet bouwen, kunnen we het ook met uw naam eren“, meende Sibald half in ernst en half schertsend, en keek de bouwmeester oplettend aan. “Ik voel me daarmee bovenmatig geëerd“, was het rustige antwoord. “Goed dan“, besloot Sibald, “Dan wordt het Ganuenta, dat betekent in mijn taal ’nederzetting aan het water‘, en het is dus heel passend.”
De bouwmeester keek nadenkend, eigenlijk wist hij nu niet meer, of hij zich met deze beslissing gelukkig moest voelen.

.

Uit het boek “Nehalennia, godin van de zeekust”, door GardenStone, S. 202, 203.

trennlinie1