Detail van het boek-cover van het Duitstalige boek “Die Rückkehr der Göttin Nehalennia”. Het werd door de kunstenaar Voenix geschilderd.

.

De terugreis was deze keer moeilijk geweest, het was al laat in het jaar en het jaargetijde was berucht om zijn stormen. Voor hij met de reis begon, had hij dat wel geweten, maar een grote bestelling van een rijke Romeinse koopman had hem ertoe verleid toch te gaan. Het was al niet eenvoudig geweest nog een schip te vinden, maar de Friese schipper Aiolt had het geld dat hij bood voor de overtocht dringend nodig.
Op de heenreis waren wind en weer nog gunstig gestemd geweest en ze hadden werkelijk al snel in de haven van Rutopia kunnen aanleggen. Hij was daar de enige handelaar van het continent zo laat in het jaar en daarom kon hij zijn aardewerk vlot en goed verkopen.
De wolhandelaren waren blij geweest nog iets te kunnen verkopen, ze hadden zich er al bij neergelegd om eerst weer in het voorjaar handelaren van het vasteland te zien. Deze omstandigheid had hij goed gebruikt, had zeer gunstig ingekocht en ze hadden zich al snel weer op de terugreis begeven…
De hele nacht lang had de bemanning gezwoegd, en ondanks de uitputting hielden ze vol, om het kleine vrachtschip op koers te houden en het voortdurend over de reling slaande water weer aan de zee terug te geven; lange tijd had het ernaar uitgezien, alsof het urenlange hozen tevergeefs was. Aan ophouden hadden ze echter niet gedacht; Gimio en zijn helper moesten daarbij net zo hard mee aanpakken als de schipper en zijn mannen. Zijn armen en benen voelden loodzwaar aan en deden pijn, toen hij met moeite opstond. Hoge golven waren steeds weer met oorverdovend lawaai over het schip geslagen, hadden geprobeerd de mannen en de vracht te veroveren en met zich in de diepte te trekken. Meer dan eenmaal had hij vertwijfeld de godin aangeroepen, ook de meeste anderen hadden hun goden om hulp in de hoogste nood gesmeekt.
De medewerking bij zulke moeilijkheden was verplicht, werd afgesproken toen Gimio en de schipper per handslag de overtocht geregeld hadden, en tijdens de storm werden alle handen gebruikt. Tijd om naar zijn in Brittannië gekochte balen wol te kijken, had hij tijdens de storm niet gehad. Hij zag nu, dat het water van het geteerde doek waarmee hij de wol had afgedekt, al was verdwenen, en toen hij met zijn hand eronder voelde, was alles droog. Verbazingwekkend eigenlijk, denkend aan de geweldige kracht, waarmee de zee steeds weer had toegeslagen.
Toen de wind bij het eerste begin van de schemering wat afnam, en hij dan in de verte de eerste meeuwen zag, besefte hij, dat de reis ook deze keer weer volbracht was. En omdat zijn handelswaar al voor de reis besteld was, kon hij een deel van zijn winst aan de steenhouwer geven, bij wie hij een altaarsteen in opdracht had gegeven. Die had hij de godin beloofd, opdat ze hem op de reis zou beschermen. Hij was nu werkelijk blij daaraan gedacht te hebben, want zonder haar bescherming had de reis zeker heel anders kunnen aflopen.
Een week later voer hij, samen met zijn helper, vanuit de nederzetting over de rivier naar het heiligdom en ze droegen de altaarsteen naar de tempel. Twee tempeldienaren zetten hem op zijn plaats en vervolgens legde zijn helper er nog twee appels bovenop. “Dank voor je hulp Vrouwe!“, zei Gimio eenvoudig op zachte toon en ook zijn helper mompelde iets dergelijks. ’Grote woorden horen bij hoge heren‘, dacht hij.

.

Uit het boek “Nehalennia, godin van de zeekust”, door GardenStone, S. 185, 196.

trennlinie1