Foto: GardenStone

De Duitse dichter Friedrich David Gräter (1768-1830) schreef een prachtig gedicht over de aardgodin Hertha.
Hier volgt naast elkaar mijn vertaling en het origineel.

.

 Aardgodin Hertha

Jij, koningin der Aarde, wier hand
alscheppend aan de mensenzoon
zijn creatieve geest en bestaan schonk;
horend op haar zoetgevooisde stem
die met verlokkende wens
eerst het onvruchtbare land
van haar wilde woestheid ontdeed en
deed verblijden over haar eigen schoonheid;
Jij, die zelfs de zee tot moeder wijdde,
en de ganse aarde aan de mensheid vrijgaf,
vanuit een rijke boezem bestrooide je de
schaduwrijke boom met gouden bladeren
en leven goot je in elke plant.
Wanneer jouw grootsheid verschijnt
op de stranden der sterfelijkheid,
dan verstilt in de gehele wereld
krijgsgeluid en schallende trompetten.
De tot de strijd geruste soldaat
heft dan niet meer
de dreigend-scherpe lans,
en de natuur blijft vrij van leed.
Rood als rozen danst de vreugde
voor jouw zilveren wagen voort,
de zoetste geuren en de reuk van balsam
doortrekken de blauwe hemel;
Berg en dal en bos en veld
en alles wat voorheen dor en kaal was,
vertoont zich nu in rijke pracht.
Vriendelijk glimlacht nu de natuur
in de diepten en op hoogten,
en dan verrijst tweevoudig schoon
de jonge gouden dageraad.

.

 Erdgöttin Hertha

Du, Königin der Erde, deren Hand
Allschöpferisch dem Menschensohn
Lebend‘gen Geist und Dasein gab;
Auf deren Stimme süßen Ton
Und lockendes Geheiß
Zuerst das unfruchtbare Land
Der wüsten Roheit sich entwand
Und seines eignen Schmuckes freute;
Du, die sogar das Meer zur Mutter weihte,
Du gabst dem Volk die ganze Erde preis,
Als sie aus vollem Schoß
Dem schattigen Baum die goldnen Blätter streute
Und Leben in jede Pflanze goss.
Sobald dein stattlicher Gang erscheint
Am sterblichen Gestad,
Schweigt in der Welt all überall
Krieg und Drommetenschall.
Der streitgerüstete Soldat
Erhebt nicht mehr
Die angeschlossnen Lanzen,
Und die Natur bleibt Jammerleer.
Rosenrothe Freuden tanzen
Vor deinem Silberwagen her,
Wohlgerüche, Balsamdüfte
Athmen durch die blauen Lüfte;
Berg und Thal und Hain und Flur
Und was vormals öde lag,
Wird in reicher Pracht gesehn.
Freundlich lächelt die Natur
In der Tiefe, auf den Höhn,
Und vergoldet, doppeltschön
Steigt herauf der junge Tag.

trennlinie1